ECLI:NL:RBDHA:2026:1291

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL25.58255
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de minister werd opgedragen binnen twee weken te beslissen. Ondanks deze termijn heeft de minister geen besluit genomen en ook geen verweerschrift ingediend.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke termijn in de eerdere uitspraak. De minister heeft de opgelegde termijnen genegeerd en de dwangsommen laten oplopen, maar blijft verplicht om zo spoedig mogelijk te beslissen.

De rechtbank legt een dwangsom van €250 per dag op met een maximum van €37.500, ingaand na het verstrijken van de eerdere dwangsom. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €467 en het griffierecht van €194. De minister moet binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit nemen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken alsnog te beslissen onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.58255
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.A. Vegter),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 september 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen twee weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: de aanvraag). Eiser stelt nu beroep in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van 90 dagen na indiening daarvan. De minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden.3 De minister heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.4
1. Zaaknummer NL25.35436.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
4. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 12 september 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.5 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiser dus ontvankelijk.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser onderhavig beroep heeft ingesteld op
27 november 2025, terwijl de rechterlijke dwangsom op dat moment nog niet was volgelopen. Bij een beroep tegen het niet tijdig-nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd.6
Is het beroep van eiser gegrond?
6. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
7. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.7 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.8
8. De minister heeft geen verweerschrift ingediend. Onduidelijk is daardoor wanneer de minister gaat beslissen op de aanvraag. De aanvraag is, zo blijkt uit het dossier, nog niet inhoudelijk ter hand genomen. Eiser zag zich hierdoor genoodzaakt nu voor de derde keer een beroep wegens niet tijdig beslissen in te dienen.9 De minister heeft er voor gekozen de eerder door de rechtbank gegeven termijnen te negeren en de door de rechtbank opgelegde dwangsommen te laten vollopen. Die keuze ontslaat hem niet van de verplichting zo spoedig mogelijk te beslissen. De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak moet beslissen.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
9. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.10 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van
€ 37.500,-. De rechtbank stelt vast dat deze dwangsom begint te lopen wanneer de eerder
7 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
8 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
9 ECLI:NL:RBDHA:2025:9374 en NL25.35436.
10 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
opgelegde rechterlijke dwangsom is verbeurd en de minister op dat moment nog altijd geen besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-, startend vanaf de dag nadat de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is verbeurd;
  • bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van €194,- vergoedt;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.