Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12953

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
09/691467
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:401 BWArt. 3:303 BWArt. 7:938 lid 3 BWArt. 6:203 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending zorgplicht assurantietussenpersoon bij brandverzekering met verschillende ingangsdata

Eiseres exploiteert een onderneming die houtpellets en houtkrullen produceert en verkoopt. Gedaagde is een assurantiebemiddelingsbedrijf dat adviseerde en bemiddelde bij het afsluiten van een brandverzekering bestaande uit meerdere lagen (Primary Layer en First Layer) met verschillende ingangsdata. Eiseres vordert schadevergoeding wegens onjuiste premiebetaling over perioden zonder volledige dekking.

De rechtbank stelt vast dat de First Layer dekking bood ook zonder de Primary Layer, maar dat de First Layer en Primary Layer niet gelijktijdig zijn ingegaan, terwijl dat wel de bedoeling was. Eiseres was in januari 2024 deels onverzekerd, wat zij had geaccepteerd, maar niet geïnformeerd over de gevolgen van verschillende ingangsdata. Gedaagde heeft hierdoor haar zorgplicht geschonden.

De rechtbank wijst het eerste verwijt van onterechte premietoekenning af, maar kent een schadevergoeding toe voor de premie van de First Layer over januari 2024. Het derde verwijt over niet tijdig doorbetalen van premie leidt niet tot schade. De gevorderde premierestitutie en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 39.887,36 schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de assurantietussenpersoon tot betaling van schadevergoeding wegens onjuiste premiebetaling over januari 2024 en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaak- / rolnummer: C/09/691467 / HA ZA 25-792
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.J.L. Tacx,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. N.F. Klein Nagelvoort.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 14 augustus 2025, met producties 1 tot en met 28;
- het herstelexploot van 5 september 2025;
- de conclusie van antwoord van 12 november 2025, met producties 1 tot en met 9;
- het tussenvonnis van 24 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
- het bericht van 9 maart 2026 met productie 29 van [eiseres] .
1.2.
Op 20 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.2.
[eiseres] exploiteert middellijk via diverse entiteiten een onderneming die zich bezighoudt met het produceren en verkopen van houtpellets en houtkrullen.
2.3.
[gedaagde] is een assurantiebemiddelingsbedrijf en makelaardij in assurantiën. Zij adviseert en bemiddelt bij het tot stand komen van verzekeringen.
2.4.
In een e-mail van 29 december 2023 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] :
“Klopt inderdaad. Wel nog formeel de kanttekening dat jullie op dit moment bewust kiezen om per 1 januari 2024 ook voor de nu nog verzekerde adressen (…) geen dekking te hebben (door opzeggingen van verzekeraars).”
2.5.
In een brief van 18 januari 2024, die in overleg met [eiseres] is opgesteld, schrijft [gedaagde] aan de Rabobank:
“(…)
Ook in de internationale markt zijn er restricties ten aanzien van acceptatiebeleid van verzekeraars. Ook in internationale markt bleek capaciteit bij verzekeraars ook een uitdaging, waardoor partijen afhaakten. Net als voor de Nederlandse markt geldt dat wij wederom vele partijen hebben moeten benaderen voordat er een primary layer was gerealiseerd. Nadat de basis met de primary was gelegd konden wij daarna, gelukkig, door aanhoudend diverse partijen te benaderen wel een totaal aanbieding onder de huidige omstandigheden aanbieden.
De totstandkoming en het eindvoorstel hebben wij uiteraard uitvoerig met relatie besproken, waarop wij per 17 januari '24 daadwerkelijk ook opdracht voor hebben ontvangen om het risico in dekking te geven.
Het risico voor onze relatie [eiseres] is als volgt nu ondergebracht:
1e “Legoblokje”: Primary layer (€ 6.000.000 met een eigen risico van € 500 000):
Status:
Verzekeraar 100% Engelse markt Momenteel zijn we met [eiseres] de documenten voor de verzekering aan het invullen voor controle, ondertekening en afronding.
2e “Legoblokje”: 1st layer € 9.000.000 (Eigen risico € 6.500.000 van de primary layer): Dus totaal € 15.000.000 bovenop een eigen risico van € 500.000)
Status:
Verzekeraar 100% België-Engeland. Zie legoblokje 1.
3e “Legoblokje" - 2nd layer € 45.000.000 (Eigen Risico van € 15.500.000 van de primary layer en de 1st layer)
Status:
We hebben verzekeraar bereid gevonden om voor 50% aandeel te nemen. Voor de overige 50% capaciteit worden nu gesprekken gevoerd. Ondertussen bekijken we samen met [eiseres] hoe en waar deze layer ingezet zal worden .
(…)”
2.6.
In een e-mail van 1 februari 2024 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] :
“(…)
We kunnen hierbij bevestigen dat dekking voor de brandverzekering voor de Nederlandse locaties is geregeld en ingegaan per 01-02-2024.
Dit geldt voor zowel primary, 1st layer en 2nd layer (legoblokjes 1, 2 en 3). Second Layer (legoblokje 3 is voor 50% gevuld, er lopen gesprekken voor completering van de overige 50%).
(…)”
2.7.
[eiseres] ontving van [gedaagde] op 7 maart 2024 de polis voor de primary layer verzekering (hierna: Primary Layer), die via ARB Europe Limited (hierna: ARB) was ondergebracht bij Lloyd's Insurance Company. De jaarpremie voor de Primary Layer inclusief assurantiebelastingen bedroeg € 1.159.544,00. Achter “PERIOD:” stond in de polis vermeld:
“From: (12:00 hrs mid-day) 31 st January 2024
To: (12.00 hrs mid-day) 31 s1 January 2025”
2.8.
[eiseres] ontving van [gedaagde] op 8 maart 2024 de polis voor de first layer verzekering (hierna: First Layer), die was ondergebracht bij Justitia N.V. (hierna: Justitia). De jaarpremie voor de First Layer inclusief assurantiebelastingen bedroeg € 478.648,31. Bij “Periode” stond in de polis vermeld:
“Aanvangsdatum contract vanaf 01 januari 2024 om 0.00u.
Einddatum 31 december 2024 om 23.59u”
2.9.
In clausule 1 van de polis van Justitia voor de First Layer staat het volgende:
“(…)

1.EXCEDENT VERZEKERING - EXCESS LAYER (€ 9m x/s € 6m x/s OPDs)

Deze polis is alleen van toepassing op het bedrag van schade of verlies boven de opgetelde limieten van alle onderliggende elders verzekerde of zelf-verzekerde layers tezamen, t.t.z. boven 6.000.000,00 EUR “van de grond af aan” (m.b. boven het gekozen eigen risico t.b.v. 500.000,00 EUR), waarbij de totale vergoeding onder deze polis wordt beperkt tot maximaal 9.000.000,00 EUR (100 %) per schadegeval.

(…)”
2.10.
In een brief van 7 juni 2024 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] :
“(…)
Zoals aangekondigd ontvangt u bijgaand de notice of cancellation voor de primary verzekering ter bevestiging van onze eerdere berichtgeving daarover. De notice of cancellation is een formele opzegging van de verzekering door de verzekeraars. De notice is gedateerd op 23 mei 2024 en kent een termijn van 30 dagen, wat betekent dat de verzekering eindigt op 22 juni 2024. De reden voor de opzegging is het uitblijven van de betaling van de verschuldigde premie. (…)
(…)”
2.11.
Bijlage 2 bij de brief van [gedaagde] van 7 juni 2024 is genaamd ‘Chronologisch verloop dossier’. Hierin is ten aanzien van de First Layer onder meer opgenomen:
“(FL) 3 april 2024, bericht [eiseres] - [gedaagde] .
Mededeling van [eiseres] dat ervoor de polis ten behoeve van de first layer een wijziging van de
tenaamstelling (niet op naam van [bedrijfsnaam] ) moet plaatsvinden en dat de termijn aangepast moet worden.
(FL) 3 april 2024, bericht [gedaagde] - [eiseres] .
Aan [eiseres] bevestigd dat wij bovenstaande wijzigingen op deze polis gaan doorvoeren en bevestigd dat wij de factuur om die reden op 'niet aanmanen’ zullen zetten.”
2.12.
In een e-mail van 25 juni 2024 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] dat de
cancellation noticevan tafel is.
2.13.
In een e-mail van 18 september 2024 schrijft [eiseres] aan [gedaagde] :
“Vorige week hebben wij elkaar gesproken over de brandverzekeringen/polissen en de periodes waar de onderstaande polissen lopen.
Op basis van de polissen die wij ontvangen hebben ziet dit er als volgt uit:
• 1e legoblokje, Primairy Layer, ARB Europe Limited. Lopend van 31-01-2024 tot en met 31-01-2025.
• 2e legoblokje, 1st Layer, Justitia NV. Lopend van 01-01-2024 tot en met 31-12-2024.
Zoals eerder diverse malen telefonisch/per mail én in ons gesprek van 10 september jl. aangegeven:
- dat wij de Polis van Justitia NV gelijk willen laten lopen met de polis van ARB. Wat overigens ook logisch is dat deze periodes gelijk lopen. Dat wij van jullie altijd begrepen hebben dat dit ook een must is.
- dat wij de Polis van Justitia NV aangepast willen zien, waarbij de verzekerde termijn gelijk loopt met die van ARB Europe Limited.
Conclusie is dat in januari 2024 er verzekering aanwezig was met een eigen risico van
€ 6.500K. En dat in de maand januari 2025 er € 9.000K niet verzekerd is.
Eind december 2023 is beslist om in januari 2024 risico te lopen dat we niet verzekerd zouden zijn en de polissen per 1 februari 2024 te laten in gaan. Dit is door jullie in de mail van 1 februari 2024 bevestigd, zie bijlage.
Het gesprek van vorige week hebben jullie aangegeven om in gesprek te gaan met de verzekeraars om dit probleem op te lossen.
Wij ontvangen graag een bevestiging dat dit opgelost is.
(…)”
2.14.
In een e-mail van 27 september 2024 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] :
“(…)
Als afgelopen woensdag aangegeven is de deur bij Justitia voor het verplaatsen van de ingangsdatum dicht. Dit heb ik afgelopen woensdag uitvoerig toegelicht.
Het alternatief lag aan 'de achterkant' van de verzekeringsperiode in plaats van corrigeren aan 'de voorkant'.
Hiervoor gaf ik aan dat ARB wilde meewerken aan het aanpassen van de einddatum van de primary van 31-01-2025 naar 31-12-2024.
(…)”
2.15.
In een e-mail van 16 oktober 2024 schrijft [eiseres] aan [gedaagde] onder meer:
“Wij hebben jullie ingeschakeld om een goede verzekering te krijgen. Het ging daarbij om 1 pakket waarbij sprake is van een primairy layer, een 1st. layer en een 2nd layer. Deze hangen met elkaar samen. Dat volgt ook uit jouw mail van 1 februari 2024 waarbij jij bevestigt dat de verzekering voor de Nederlandse locaties is geregeld en per 1 februari 2024 ingaan. Toen de polissen kwamen zagen wij dat in tegenstelling tot jouw mail van 1 februari 2024 deze niet juist waren. Wij hebben dat meteen gemeld.”
2.16.
In een e-mail van 29 november 2024 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] dat de verzekeraar van de Primary Layer deze per 22 november 2024 heeft opgezegd wegens het uitblijven van de juiste slotsom. De premie voor de Primary Layer voor januari 2025 is aan [eiseres] gerestitueerd.
2.17.
In de brief van haar advocaat van 31 januari 2025 sommeert [eiseres] [gedaagde] om een bedrag van € 178.521 aan te veel betaalde premie binnen 14 dagen te restitueren, bij gebreke waarvan zij aanspraak maakt op wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke kosten.
2.18.
In een brief van 4 november 2025 aan [gedaagde] schrijft Justitia het volgende:
“U heeft ons In uw hoedanigheid van makelaar, betrokken op de polis van [eiseres]
B.V., polisnummer [nummer 1] JUS, verzocht toe te lichten welke strekking de in deze polis
opgenomen clausule 1 (EXCEDENT VERZEKERING - EXCESS LAYER (€ 9m x/s € 6m x/s OPDs) heeft en daarbij de vraag of de polis dekking zou hebben verleend indien er geen
andere verzekeringen zouden zijn afgesloten voor het deel van het risico dat niet door onze
polis is gedekt.
(…)
Onze polis is een zogenaamde excedent-verzekering. Dat wil zeggen dat wij schade pas
vergoeden nadat die een bepaalde ondergrens heeft overschreden, en dan alleen voor het
meerdere (het excedent). Dat meerdere kent vervolgens ook weer een bovengrens. Het enige en uitsluitende doel van clausule 1 is tussen partijen vast te leggen waar die ondergrens en die bovengrens zich bevinden. De ondergrens is vastgesteld op € 6,5 miljoen. Deze ondergrens is bepaald door uit te gaan van een eigen risico van € 500.000 vermeerderd met de som van de onderliggende elders verzekerde of zelfverzekerde layers, te weten € 6 miljoen. Met een zelfverzekerde layer wordt bedoeld een layer in een uit meerdere lagen (layers) opgebouwd verzekeringsprogramma die een verzekeringnemer - af dan niet tijdelijk - voor eigen rekening neemt of moet nemen. (…)
Het is voor de dekking van onze polis irrelevant of de onderliggende layer van € 6 miljoen wel of niet (al dan niet deels) elders verzekerd is. Dat blijkt ook al uit de term "zelf-verzekerde layer", die inhoudt dat verzekeringnemer deze layer voor eigen rekening neemt en derhalve niet elders verzekerd heeft. De clausule beoogt dus zeker niet om de dekking van onze excess polis afhankelijk te maken van het bestaan van een verzekeringsovereenkomst voor de onderliggende layer en dat is naar onze mening ook op geen enkele wijze uit de tekst van de clausule af te leiden. (…)”

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als assurantietussenpersoon, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding van € 185.516,42 (te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 1 december 2024), veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 2.580,16 (te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van dagvaarding) en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de beslagkosten (beide te vermeerderen met de wettelijke rente).
3.2.
[eiseres] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht. [gedaagde] heeft namelijk door [eiseres] betaalde premies toegekend aan periodes zonder functionele dekking. Verder heeft zij fouten gemaakt met betrekking tot de ingangsdata van de polissen: de Primary Layer en de First Layer hebben ten onrechte niet dezelfde ingangsdatum. Tot slot heeft [gedaagde] ten onrechte premiebetalingen niet tijdig doorbetaald aan ARB. Als gevolg hiervan heeft [eiseres] schade geleden, bestaande uit het verschil tussen de premies die zij heeft betaald en de premies die zij verschuldigd was geweest op basis van volledige dekking. Daarnaast legt [eiseres] aan de vorderingen ten grondslag dat zij recht heeft op premierestitutie, dat sprake is van onverschuldigde betaling van premies en dat het vasthouden aan premieverhaal door [gedaagde] , terwijl de onderliggende dekking ontbrak, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
[gedaagde] voert – samengevat – aan dat zij geen fout heeft gemaakt. Bovendien heeft [eiseres] geen schade geleden, want zij heeft daadwerkelijk dekking genoten onder de door [gedaagde] voor [eiseres] afgesloten verzekeringen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het geschil
4.1.
Deze zaak spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] haar zorgplicht als assurantietussenpersoon heeft geschonden. Deze vraag moet worden beantwoord op basis van drie verwijten die [eiseres] aan [gedaagde] maakt. Het eerste verwijt is dat er over de maand januari 2024 en de periode 22 november – 31 december 2024 ten onrechte premie aan de First Layer is toegekend. Ten onrechte volgens [eiseres] , omdat in die periodes de onderliggende dekking van de Primary Layer ontbrak. Het tweede verwijt is dat [gedaagde] de First Layer niet gelijktijdig met de Primary Layer heeft laten ingaan. Het derde verwijt is dat [gedaagde] door [eiseres] betaalde premies niet tijdig aan ARB heeft doorbetaald.
Juridisch kader
4.2.
De overeenkomst tussen een verzekeringnemer en een zelfstandige assurantietussenpersoon die als adviseur en/of bemiddelaar door de verzekeringnemer wordt ingeschakeld, is een overeenkomst van opdracht. Een opdrachtnemer moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer inachtnemen (artikel 7:401 BW Pro). Dit houdt voor een beroepsbeoefenaar in dat hij moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. [1] De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de opdrachtgever, voor zover kenbaar voor de opdrachtnemer. Deze zorgplicht houdt voor de assurantietussenpersoon mede in dat hij dient te waken over de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen.
Eerste verwijt: onterechte premietoekenning
4.3.
Door bemiddeling van [gedaagde] zijn een Primary Layer bij ARB en een First Layer bij Justitia tot stand gekomen. De Primary Layer bood een dekking van € 6.000.000 en had een eigen risico van € 500.000. Deze dekking ging in op 1 februari 2024 en eindigde op 31 januari 2025. De First Layer bood een dekking van € 9.000.000 boven het drempelbedrag van € 6.500.000 (inclusief eigen risico) van de Primary Layer. Deze dekking ging in op 1 januari 2024 en eindigde op 31 december 2024.
4.4.
Volgens [eiseres] bood de First Layer in de maand januari 2024 en in de periode 22 november – 31 december 2024 geen dekking, terwijl er over die periodes wel premie aan de First Layer is toegekend. Volgens de polisvoorwaarden van de First Layer zou namelijk een onderliggende (primary) dekking vereist zijn om effectieve dekking onder de First Layer te bieden. Het ontbreken van dekking was volgens [eiseres] het gevolg van het feit dat de Primary Layer in die periodes niet actief was. In januari 2024 was dat het geval omdat de Primary Layer nog niet was ingegaan. In de periode 22 november – 31 december 2024 was dat het geval omdat ARB de Primary Layer per 22 november 2024 had opgezegd.
4.5.
Volgens [gedaagde] bood de First Layer in de genoemde periodes wel degelijk dekking. Zij verwijst naar de in rov. 2.9 genoemde clausule 1 van de polis voor de First Layer, die hierna omwille van de leesbaarheid nogmaals wordt geciteerd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [gedaagde] ook gewezen op een door haar overgelegde verklaring van Justitia van 31 oktober 2025, waarin Justitia de door [gedaagde] gegeven uitleg van clausule 1 bevestigt (rov. 2.18). [eiseres] heeft vervolgens niet nader toegelicht op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat de First Layer zonder Primary Layer in het geheel geen dekking biedt.
4.6.
De uitleg van een bepaling in polisvoorwaarden waarover tussen partijen niet onderhandeld pleegt te worden, is met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals haar bewoordingen gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van een bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.
4.7.
Clausule 1 van de polis voor de First Layer luidt:
“Deze polis is alleen van toepassing op het bedrag van schade of verlies boven de opgetelde limieten van alle onderliggende elders verzekerde of zelf-verzekerde layers tezamen, t.t.z. boven 6.000.000,00 EUR “van de grond af aan” (m.b. boven het gekozen eigen risico t.b.v. 500.000,00 EUR), waarbij de totale vergoeding onder deze polis wordt beperkt tot maximaal 9.000.000,00 EUR (100 %) per schadegeval.”
4.8.
Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van deze clausule, in samenhang met de toelichting daarop namens de opsteller en gebruiker van de voorwaarden (zie rov. 2.18), met zich brengt dat de First Layer niet alleen dekking biedt boven de limiet van elders verzekerde layers, maar ook boven die van zelf-verzekerde layers. Voorts brengt een redelijke uitleg mee dat onder “zelf-verzekerde layers” ook wordt verstaan een risico dat de verzekerde voor eigen rekening neemt en niet verzekerd heeft. Dit betekent dat de First Layer ook zonder Primary Layer dekking biedt, namelijk voor schade boven het bedrag van € 6.500.000 en tot een limiet van € 15.500.000.
4.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de First Layer zonder Primary Layer wel degelijk dekking bood, namelijk een dekking van € 9 miljoen boven een drempelbedrag van € 6.500.000. Het verwijt van [eiseres] dat er in de maand januari 2024 en in de periode 22 november – 31 december 2024 ten onrechte premie is toegekend aan de First Layer omdat de onderliggende dekking van de Primary Layer ontbrak, is dus ongegrond. [gedaagde] heeft op dit punt haar zorgplicht dus niet geschonden.
Tweede verwijt: foutieve ingangsdatum First Layer
4.10.
[eiseres] verwijt [gedaagde] ten tweede - kort gezegd - dat deze zich niet aan de overeenkomst van opdracht heeft gehouden om een brandverzekering met volledige dekking tot stand te brengen, althans heeft [gedaagde] haar zorgplicht geschonden. [gedaagde] betwist dat zij met het afsluiten van de First Layer per 1 januari 2024 en de Primary Layer per 1 februari 2024 is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
4.11.
Uit de processtukken (onder meer de correspondentie aangehaald in rov. 2.13 en 2.15) en hetgeen ter zitting is besproken leidt de rechtbank af dat [eiseres] opdracht heeft gegeven aan [gedaagde] om een volledige dekking van haart brandrisico te realiseren en dat daarbij initieel het streven was om een brandverzekering af te sluiten die per 1 januari 2024 volledige dekking zou bieden. De achtergrond van deze opdracht was, zo begrijpt de rechtbank, dat de Rabobank als hypotheekhouder een goede dekking van haar onderpand(en) eiste. Toen eind 2023 bleek dat 1 januari 2024 als ingangsdatum voor de nieuwe brandverzekering onhaalbaar was, is [eiseres] ermee akkoord gegaan dat zij in januari 2024 onverzekerd was (zie de e-mail van [gedaagde] aan [eiseres] van 29 december 2023, aangehaald in rov. 2.4).
4.12.
De rechtbank stelt vast dat de door bemiddeling van [gedaagde] tot stand gebrachte brandverzekering in de maanden januari 2024 en januari 2025 geen volledige dekking bood. In de maand januari 2024 was er namelijk wel dekking onder de First Layer, maar niet onder de Primary Layer, zodat dekking voor de eerste € 6.500.000 (inclusief eigen risico) ontbrak. In de maand januari 2025 deed zich het omgekeerde voor: er was wel dekking onder de Primary Layer, maar niet onder de First Layer, zodat dekking boven een bedrag van € 6.500.000 en tot € 15.500.000 ontbrak.
4.13.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat het enkele feit dat de Primary Layer en de First Layer niet gelijktijdig ingaan, niet betekent dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, zeker gezien de moeilijkheid van het onderbrengen van het risico en de inspanningen die zij zich heeft getroost om in ieder geval enige dekking te realiseren vanaf januari 2024. [gedaagde] verwijst in dit verband naar uitspraken van de Hoge Raad van 17 april 2020 [2] en het Gerechtshof Amsterdam van 13 november 2018 [3] , waaruit blijkt dat op de assurantietussenpersoon met betrekking tot het tot stand brengen van een verzekering geen resultaatsverbintenis, maar een inspanningsverplichting rust.
4.14.
Dit betoog slaagt niet. De afspraak tussen partijen hield, zoals gezegd, in dat de brandverzekering volledige dekking moest bieden. Daarvan is bij een verzekeringsconstructie als de onderhavige, bestaande uit verschillende ‘layers’, alleen sprake als de Primary Layer en First Layer gelijktijdig ingaan. Dat dit normaal gesproken (en dus ook in het geval van [eiseres] ) het uitgangspunt is (en was), is namens [gedaagde] ter zitting ook erkend. Uit de procestukken en hetgeen ter zitting is besproken kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] aan [eiseres] de keuze heeft voorgelegd voor een constructie waarin alleen voor de First Layer per 1 januari 2024 dekking bestond. Te minder kan worden vastgesteld dat [eiseres] met niet-gelijklopende ingangsdata akkoord is gegaan. De rechtbank acht juist aannemelijk dat [eiseres] , als hem de keuze was gegeven,
nietakkoord zou zijn gegaan met verschillende ingangsdata, resulterend in een slechts gedeeltelijke dekking per 1 januari 2024, althans een dekking boven een (fors) drempelbedrag van
€ 6.500.000. Daarvoor is redengevend dat, zoals ter zitting ook benadrukt namens [eiseres] , op het moment dat [gedaagde] de First Layer rond had, de maand januari 2024 al voor een goed deel was verstreken en dat het ging om een aanzienlijke premie. [eiseres] was al langer (deels) onverzekerd en wilde, ook gelet op de hoge premie, het risico van die ene maand nog wel nemen. Hierop wijst ook de communicatie tussen partijen van eind december 2023 (rov. 2.4).
4.15.
Voorts wijst de reactie van [gedaagde] op het verzoek van [eiseres] om de ingangsdatum van de First Layer te corrigeren er niet op dat het de bedoeling was om deze, onafhankelijk van de Primary Layer, per 1 januari 2024 te laten ingaan. Toen [eiseres] na ontvangst van de polis voor de First Layer in maart 2024 aan [gedaagde] vroeg om de ingangsdatum (en tenaamstelling) te laten corrigeren, heeft [gedaagde] blijkens het door haar overgelegde ‘Chronologisch verloop dossier’ op 3 april 2024 aan [eiseres] immers bevestigd “
dat wij bovenstaande wijzigingen op deze polis gaan doorvoeren” en dat “
wij de factuur om die reden op ‘niet aanmanen’ zullen zetten” (rov. 2.11). Deze reactie wekt de indruk dat [gedaagde] zelf ook uitging een ingangsdatum van 1 januari 2024 voor de First Layer.
4.16.
Dat [gedaagde] zelf ook uitging van een gelijke startdatum van de Primary Layer en de First Layer blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook - en nog sterker - uit haar bericht aan [eiseres] van 1 februari 2024, aangehaald in rov. 2.6, waarin staat: “
We kunnen hierbij bevestigen dat dekking voor de brandverzekering voor de Nederlandse locaties is geregeld en ingegaan per 01-02-2024. Dit geldt voor zowel primary, 1st layer en 2nd layer (…).”. Hetzelfde geldt voor de communicatie van [gedaagde] met de Rabobank voor wie, als hypotheekhouder, een goede dekking door een brandverzekering een vereiste was. Uit de in rov. 2.5 genoemde brief van [gedaagde] aan de Rabobank van 18 januari 2024 blijkt dat deze volledige dekking zou worden gerealiseerd door de Primary Layer als basis te nemen en daarbovenop de First Layer te stapelen: “
Nadat de basis met de primary was gelegd konden wij daarna, gelukkig, door aanhoudend diverse partijen te benaderen wel een totaal aanbieding onder de huidige omstandigheden aanbieden.” Ook in deze brief wordt (dus) geen melding gemaakt van verschillende ingangsdata en de gevolgen daarvan voor de dekking.
4.17.
Of [gedaagde] wel of niet doelbewust heeft gekozen voor het aangaan van een brandverzekering met verschillende ingangsdata voor de Primary Layer en de First Layer kan hier in het midden blijven. Door [eiseres] niet de keuzemogelijkheid voor te leggen tussen een dekking voor alleen de First Layer per januari 2024 of helemaal geen dekking voor de maand januari 2024 en door vervolgens niet duidelijk te communiceren over de verschillende ingangsdata van de First Layer en de Primary Layer in de berichten van 18 januari 2024 aan de Rabobank en 1 februari 2024 aan [eiseres] , heeft [gedaagde] niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Dat van een resultaatsverbintenis om een bepaalde verzekering tot stand te brengen geen sprake is, doet daaraan niet af.
4.18.
Voormelde onzorgvuldigheden van [gedaagde] kort voor en kort na het afsluiten van de Primary Layer en de First Layer hebben ertoe geleid dat [eiseres] schade heeft geleden. Bij correcte nakoming van de overeenkomst van opdracht als een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon zou [eiseres] over januari 2024 geen premie voor de First Layer hebben betaald. [eiseres] zou er dan immers voor hebben gekozen (nog) een maand onverzekerd te zijn, zie daarover rov. 4.14. De kosten voor de First Layer over de maand januari 2024 kwalificeren naar het oordeel van de rechtbank dan ook als schade en moeten door [gedaagde] vergoed worden.
4.19.
Het gevolg van de afwijkende ingangsdatum van de First Layer ten opzichte van de Primary Layer is ook dat deze een maand eerder zou eindigen dan de Primary Layer. Over de maand januari 2025 is dus premie aan de Primary Layer toegekend, zonder dat [eiseres] over volledige dekking beschikte. Van schade is in die maand echter geen sprake, omdat de Primary Layer per 22 november 2024 is opgezegd en ARB de premie voor januari 2025 heeft gerestitueerd (rov. 2.16).
4.20.
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank [eiseres] een schadevergoeding van € 39.887,36 toekennen. Dit is het bedrag aan premie, inclusief assurantiebelastingen, dat voor de First Layer aan de maand januari 2024 kan worden toegekend, te weten: 1/12e van de jaarpremie van € 478.648,31.
Derde verwijt: niet tijdig doorbetalen van premie aan ARB
4.21.
[eiseres] verwijt [gedaagde] ten derde de premie voor de Primary Layer op twee momenten niet tijdig aan ARB te hebben doorbetaald.
4.22.
Het eerste moment deed zich voor in april 2024. Uit een door [eiseres] overgelegd bankafschrift blijkt dat zij op 17 april 2024 een bedrag van € 100.000 aan [gedaagde] heeft overgemaakt met als omschrijving “
[nummer 2]”. Deze omschrijving correspondeert met het nummer dat volgens [gedaagde] is vermeld op haar factuur voor de Primary Layer van 7 maart 2024. [gedaagde] heeft dit bedrag echter aan Justitia overgemaakt. De reden die [gedaagde] hiervoor geeft, is dat de deadline voor betaling van de premie voor de First Layer eerder verstreek dan die voor de Primary Layer. Volgens de in rov. 2.10 genoemde brief van [gedaagde] van 7 juni 2024 heeft ARB vervolgens een notice of cancellation gestuurd wegens het uitblijven van de betaling van de verschuldigde premie.
4.23.
De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of [gedaagde] onzorgvuldig heeft gehandeld door het door [eiseres] overgemaakte bedrag niet aan ARB over te maken. De door ARB verzonden notice of cancellation is volgens de in rov. 2.11 genoemde e-mail van [gedaagde] van 25 juni 2024 namelijk weer ingetrokken en [eiseres] heeft niet gesteld dat zij als gevolg van de niet tijdige doorbetaling of de door haar ontvangen notice of cancellation van 7 juni 2024 schade heeft geleden.
4.24.
Het tweede moment deed zich voor in het najaar van 2024. ARB bleek bereid om de Primary Layer gelijktijdig met de First Layer te laten eindigen, tegen restitutie van 1/12e deel van de premie. Volgens [eiseres] had zij, als rekening werd gehouden met aftrek voor de maand januari 2025, de premie voor de Primary Layer volledig betaald en [gedaagde] had deze dus tijdig aan ARB kunnen voldoen. [gedaagde] betoogt juist dat [eiseres] de premie nog niet volledig had voldaan en dat [gedaagde] deze dus ook niet aan ARB kon doorbetalen. Het gevolg was in elk geval dat ARB de in rov. 2.16 genoemde tweede notice of cancellation stuurde en de Primary Layer per 22 november 2024 opzegde.
4.25.
De rechtbank is van oordeel dat ook op dit punt in het midden kan blijven of [gedaagde] onzorgvuldig heeft gehandeld. Uit de opzegging van de Primary Layer door ARB is immers geen schade ontstaan. Anders dan [eiseres] betoogt, kwalificeert de premie die aan de First Layer kan worden toegekend over de periode vanaf de opzegging tot 31 december 2024 niet als schade. [eiseres] had deze premie immers ook moeten betalen als de door [eiseres] gestelde fout van [gedaagde] niet had plaatsgevonden en de Primary Layer dus
nietwas opgezegd. Dat sprake zou zijn van andere schade als gevolg van de opzegging van de Primary Layer per 22 november 2024 is niet gesteld of gebleken.
Overige aangevoerde grondslagen
4.26.
[eiseres] heeft aangevoerd dat zij op grond van artikel 7:938 lid 3 BW Pro [4] recht heeft op premierestitutie, dat er op grond van artikel 6:203 BW Pro sprake is van onverschuldigde betaling van premies en dat het vasthouden aan premieverhaal door [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW Pro). Volgens [eiseres] was er in de maand januari 2024 en in de periode 22 november – 31 december 2024 geen dekking onder de First Layer, terwijl aan die periodes wel premie is toegekend.
4.27.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog van [eiseres] niet slaagt. Van premierestitutie op grond van artikel 7:938 lid 3 BW Pro kan geen sprake zijn, alleen al omdat de vordering tot premierestitutie niet tegen [gedaagde] , maar tegen Justitia moet worden ingeroepen. Bovendien heeft de rechtbank in rov. 4.9 overwogen dat de First Layer ook zonder Primary Layer dekking bood, wat meebrengt dat Justitia in de genoemde periodes wel degelijk risico in de zin van artikel 7:938 BW Pro heeft gelopen. Het feit dat de First Layer dekking bood, betekent ook dat de daarvoor betaalde premie niet zonder rechtsgrond is betaald. Het beroep van [eiseres] op onverschuldigde betaling gaat dus ook niet op. Tot slot staat om diezelfde reden de redelijkheid en billijkheid er niet aan in de weg dat over de genoemde periodes premie aan de First Layer is toegekend. [eiseres] heeft haar beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid voorts onvoldoende onderbouwd en ter zitting ook desgevraagd niet nader toegelicht.
Slotsom
4.28.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen om een schadevergoeding van € 39.887,36 te betalen.
4.29.
De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als assurantietussenpersoon zal worden afgewezen bij gebreke van voldoende belang (artikel 3:303 BW Pro). [eiseres] heeft namelijk niet toegelicht welk zelfstandig belang zij heeft bij toewijzing van deze verklaring voor recht naast toewijzing van de gevorderde schadevergoeding.
Wettelijke rente
4.30.
[eiseres] vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. [eiseres] heeft de wettelijke rente gevorderd met ingang van 1 december 2024. Ter zitting heeft zij deze ingangsdatum echter desgevraagd niet kunnen onderbouwen. Op grond van artikel 6:119 BW Pro jo. 6:83, onder b, BW is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum dat de verbintenis tot schadevergoeding opeisbaar is en niet terstond wordt nagekomen. De rechtbank zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarom toewijzen met ingang van 15 februari 2025, te weten 14 dagen na de datum van de in rov. 2.17 genoemde sommatiebrief.
Buitengerechtelijke kosten
4.31.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 2.580,16. Volgens [eiseres] bestonden de door haar advocaat verrichte werkzaamheden uit het inwinnen van inlichtingen, besprekingen, versturen van een sommatie, correspondentie en telefonische contacten. [gedaagde] heeft deze vordering betwist. Zij betoogt dat een onderbouwing ontbreekt en dat deze vergoeding niet ziet op andere kosten dan die zijn gemaakt ter voorbereiding van gedingstukken of ter instructie van de zaak.
4.32.
Artikel 6:96 lid 3 BW Pro bepaalt dat buitengerechtelijke incassokosten in een geval waarin een procedure is gevoerd slechts op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen voor zover die betrekking hebben op andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikel 241 Rv Pro bedoelde kosten, zoals die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, een vergoeding plegen in te sluiten. [eiseres] heeft haar vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, ook na het verweer daartegen van [gedaagde] , niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met gespecificeerde facturen. Ook ter zitting is niet gesteld of gebleken dat sprake is geweest van intensieve schikkingsonderhandelingen of andere werkzaamheden die niet op grond van artikel 241 Rv Pro zijn begrepen in de gevorderde proceskosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.33.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de rechtbank een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag afwijst, zal voor het salaris advocaat het tarief worden toegepast dat geldt voor het toegewezen bedrag. De proceskosten van [eiseres] worden aldus begroot op:
- kosten van de dagvaarding
118,40
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten tarief III × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.840,40
4.34.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.35.
De in het petitum opgenomen vordering tot betaling van de beslagkosten is niet onderbouwd en niet met stukken gestaafd. De rechtbank zal daarom geen beslagkosten toewijzen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 39.887,36, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.840,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122.
2.Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:737.
3.Gerechtshof Amsterdam 13 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4171.
4.[eiseres] verwijst in de dagvaarding naar artikel 7:940 lid 3 BW Pro, maar de rechtbank neemt aan dat artikel 7:938 lid 3 is Pro bedoeld.