Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de procedure meldde de minister dat eiser op 6 mei 2026 vrijwillig naar Syrië is vertrokken, zoals blijkt uit een vertrekverklaring ondertekend door eiser en een uitreisstempel.
De rechtbank beoordeelde dat door het vrijwillige vertrek en de ondertekening van de vertrekverklaring eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de verklaring onder dwang of zonder kennis van de inhoud heeft ondertekend. De rechtbank volgt hiermee eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Gelet hierop verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter F. Sijens en griffier M. Veenstra - van der Veen op 21 mei 2026 te Groningen.