Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[eisers sub 1] te [woonplaats 1] ,2. [eisers sub 2] te [woonplaats 1] ,
1.[gedaagden sub 1] te [woonplaats 2] ,2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats 2] ,3. [gedaagden sub 3] te [woonplaats 2] ,
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
ten behoeve van op de voormelde heersende erven gevestigde agrarische bedrijven. Het moet aldus gaan om verkeersbewegingen in het kader van de agrarische bedrijfsvoering. Louter privé-verkeer valt daar niet onder. Over die beperking is in zoverre, gezien de bewoordingen van de notariële akten, geen twijfel als bedoeld in art. 5:73 lid 1 BW Pro, zodat de wijze van uitvoering door partijen – daargelaten dat partijen hierover verschillende standpunten innemen – bij de uitleg niet beslissend is.
gedeeltelijkbij eindvonnis kan worden toegewezen. Of het met vordering 2. gevraagde verbod ook kan worden toegewezen hangt echter af van het antwoord op de vraag of, naast de erfdienstbaarheid uit de notariële akten, inmiddels een (bredere) erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan, dan wel een gebruiksrecht of noodweg. In afwachting van die beoordeling worden de beslissingen in conventie aangehouden.
verkrijgendeals
bevrijdendeverjaring. Verkrijgende verjaring houdt kort gezegd in dat een bezitter ‘te goeder trouw’ een goed verkrijgt door een onafgebroken bezit van tien jaren (art. 3:99 BW Pro). Ook de door [gedaagden] gepretendeerde erfdienstbaarheid is een ‘goed’, dus kan in beginsel door verkrijgende verjaring worden verkregen, als sprake is van bezit en goede trouw. Een erfdienstbaarheid is echter een beperkt recht dat wordt gevestigd door het opmaken van een notariële akte die in de openbare registers wordt ingeschreven (art. 3:98 jo Pro. 3:89 BW). Dat betekent dat [gedaagden] door raadpleging van de openbare registers had kunnen weten dat de gepretendeerde erfdienstbaarheid (oorspronkelijk) niet bestond (althans niet voor zover deze ruimer is dan in de notariële akten omschreven). Dat staat er aan in de weg dat [gedaagden] zich er op kan beroepen dat hij de erfdienstbaarheid
te goeder trouwin bezit heeft genomen (art. 3:23 BW Pro).
bezitvan die erfdienstbaarheid. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (art. 3:107 BW Pro). Bezit kan zowel onmiddellijk of middellijk zijn (art. 3:107 leden Pro 2 en 3 BW). Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld (art. 3:108 BW Pro). Inbezitneming vindt plaats doordat iemand zich feitelijke macht over het goed verschaft waarbij enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende zijn (art. 3:113 BW Pro). Het gaat om een objectieve maatstaf: het komt primair aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Alle omstandigheden van het geval kunnen bij de beoordeling van belang zijn. Het onder het oude recht voor verkrijgende verjaring geldende vereiste dat het bezit ondubbelzinnig moest zijn, wordt onder het huidig recht geacht in het begrip bezit besloten te liggen. Daarom geldt nog steeds dat voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring het bezit zodanig moet zijn dat de werkelijk rechthebbende daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, ten koste van het recht van de werkelijke rechthebbende, zodat laatstgenoemde maatregelen kan treffen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen.
bezitvan een erfdienstbaarheid. Het gaat daarbij alleen om een erfdienstbaarheid die verder strekt dan de erfdienstbaarheid uit de notariële akte. Het moet gaan om een ondubbelzinnig bezit, zodat een incidenteel gebruik van de weg in beginsel weinig gewicht in de schaal legt. Verder is van belang dat het bezit (min of meer) voortdurend is geweest en dat bewijs wordt geleverd ten aanzien van de
geheleperiode van 20 jaar. Een deel van de nu overgelegde verklaringen is ten aanzien van de tijdsbepaling dusdanig onduidelijk dat deze daarom weinig kunnen bijdragen aan de bewijslevering.
bezitvan de ‘privé’-erfdienstbaarheid. Daarnaast verzoekt de rechtbank [gedaagden] om van alle (getuigen)verklaringen, ook van de reeds overgelegde, aan te geven op welke periode de verklaring ziet en – voor zover dit niet aanstonds uit de verklaring blijkt – waar dat uit volgt. Ten slotte verzoekt de rechtbank om op basis daarvan een overzicht te maken van de gehele verjaringsperiode waarin is aangegeven welke (getuigen)verklaring(en) welk deel van die periode dekt. Als [gedaagden] alleen schriftelijk bewijs levert kan het voorgaande in de akte waarmee het schriftelijk bewijs wordt overgelegd. Als [gedaagden] (ook) getuigenbewijs levert kan het voorgaande in de akte uitlaten na bewijslevering.
5.De beslissing
woensdag 3 juni 2026voor uitlating door [gedaagden] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bewijsstukkenwil overleggen, hij die stukken, indien hij daar reeds over beschikt, dan direct in het geding moet brengen. Indien [gedaagden] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen en hij nog niet over (al) die stukken beschikt, kan hij de rechtbank op voornoemde rolzitting verzoeken hem daartoe een nadere termijn te verlenen,
getuigenwil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
augustustot en met
novemberdan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,