ECLI:NL:RBDHA:2026:13197

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
26-3221
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 22.8 OmgevingswetArt. 2.4.1.31 Verordening fysieke leefomgevingArt. 3.6.1.1 Verordening fysieke leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor kappen van 17 bomen in openbare ruimte

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 22 mei 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen dat was gericht tegen de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van 17 bomen in de openbare ruimte in verband met een bouwproject.

Verzoekster betoogde onder meer dat de noodzaak voor het kappen niet vaststond, dat het compensatieplan onvoldoende concreet was en dat het niet voldoende was geborgd dat de kap niet zou plaatsvinden tijdens broedactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college voldoende had gemotiveerd dat alle bomen op korte termijn gekapt moeten worden en dat het compensatieplan voldoet aan de vereisten. Ook is voorzien in een ecologisch onderzoek voorafgaand aan de kap.

De voorzieningenrechter stelde vast dat vergunninghouder de bomen niet zal kappen vóór de uitspraak en dat er sprake is van een spoedeisend belang. De aangevoerde gronden van verzoekster boden echter geen aanleiding om te verwachten dat het bestreden besluit bij bezwaar niet in stand zal blijven. Daarom werd het verzoek afgewezen en het besluit niet geschorst.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het kappen van 17 bomen is afgewezen en het besluit niet geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3221

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A.F.C. Lensen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college

(gemachtigde: A.L. Abdoellakhan).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[woningbouwvereniging], te [plaats] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van 17 bomen in de openbare ruimte aan de [straatnaam] en omgeving in [plaats] . Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Wat verzoekster heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit bij de heroverweging in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 maart 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het vellen van een houtopstand. De aanvraag houdt verband met de herontwikkeling van de woningen aan de oneven zijde van de [straatnaam] in [plaats] . Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1] , [naam 2] , en namens vergunninghoudster [naam 3] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
3.1
Vergunninghoudster heeft op de zitting verklaard de bomen niet te zullen kappen tot de uitspraak op dit verzoek. Verder heeft zij aangegeven dat de bomen vóór 1 juli 2026 ter voorbereiding op sloop- en bouwwerkzaamheden en aansluiting van nutsvoorzieningen gekapt moeten worden. Het college heeft de verwachting uitgesproken dat de beslissing op bezwaar in augustus 2026 en dus niet vóór 1 juli 2026 zal zijn genomen. Nu vergunninghoudster de bomen op korte termijn wil kappen, heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek.
Bestreden besluit
4. In het bestreden besluit is overwogen dat geen van de bomen waardevol is, als bedoeld in artikel 2.4.1.31 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving [plaats] 2020 (de Verordening). Daarnaast is overwogen dat de omgevingsvergunning voor deze activiteit kan worden verleend, omdat op grond van de ingediende stukken voldoende is gemotiveerd dat het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan de van toepassing zijnde waarden van de houtopstanden, dat alternatieven voor duurzaam behoud voldoende zijn onderzocht en dat de compensatie voldoende zal voorzien in een duurzame bijdrage aan ecologie, klimaat en beeldkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 3.6.1.9, van de Verordening.
Toetsingskader
5. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
5.1
Op grond van artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt, voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod geldt om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
5.2
Op basis van artikel 3.6.1.1 en 3.6.1.4 van de Verordening, zoals deze luidt vanaf 6 februari 2026, is het verboden zonder vergunning een houtopstand in de openbare ruimte te (doen) vellen.
5.3
Artikel 3.6.1.9 van de Verordening luidt als volgt:
1. Voor de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor het vellen of doen vellen van waardevolle houtopstanden, wordt het belang van het behoud van de waardevolle houtopstand afgewogen tegen het belang van de aanvrager. De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd als het maatschappelijk belang waarvoor de houtopstand moet wijken onvoldoende is aangetoond of als de onveiligheid of gevaarzetting onvoldoende is aangetoond.
2. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.4 of 3.6.1.5 kan worden geweigerd als de nieuwe locatie van de te verplanten houtopstand van onvoldoende kwalitatieve waarde is om de te verplanten houtopstand duurzaam te handhaven.
3. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.2, 3.6.1.4 of 3.6.1.5 kan worden geweigerd als naar boomtechnisch deskundige maatstaven:
a. de mogelijkheden en/of alternatieven voor duurzaam behoud niet voldoende gemotiveerd zijn onderzocht;
b. de reden van de aanvraag verband houdt met mogelijke gevaarzetting en/of overlast en dit niet voldoende gemotiveerd wordt aangetoond;
c. de aan te planten compensatieboom niet voldoende voorziet in een duurzame bijdrage aan ecologie, klimaat en beeldkwaliteit.
Noodzaak van de kap
6. Verzoekster voert aan dat de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen vooruitloopt op een nog niet verleende omgevingsvergunning voor sloop en nieuwbouw. Daarom staat volgens verzoekster de noodzaak voor het kappen niet vast. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2026 [1] .
6.1
Het college wijst erop dat op 17 december 2024 een ‘kennisnemingsbesluit sloop nieuwbouw’ is genomen, dat het maatschappelijk belang van de kap van de bomen onderbouwt. Er is gezocht naar een oplossing met behoud van de bomen, maar in verband met de kraanopstelling voor de uit te voeren bouwwerkzaamheden en verzwaard nutswerk is dat niet uitvoerbaar. De bomen kunnen zodoende niet worden behouden. Daarnaast is, voordat de aanvraag voor het bouwplan werd ingediend, vooroverleg gevoerd aan de hand van een conceptaanvraag. Dit concept is in het vooroverleg al tegen de geldende planregels gehouden om te beoordelen of de aanvraag passend is of dat er eventueel strijdigheden zijn en wat de aandachtspunten zijn bij de ruimtelijke onderbouwing van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Inmiddels is de definitieve aanvraag voor het bouwplan ingediend. Hoewel de omgevingsvergunning nog niet is verleend, zijn de planregels waaraan getoetst zal worden duidelijk en is het bouwplan voorbesproken.
6.2
De voorzieningenrechter overweegt dat, hoewel de omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen ten behoeve van de nieuwbouw nog niet is verleend, op de zitting is gebleken dat deze binnen enkele weken valt te verwachten. Datzelfde geldt voor de benodigde sloopvergunning. Vergunninghoudster heeft op basis van de stukken en de op de zitting gegeven toelichting aannemelijk gemaakt dat werkzaamheden noodzakelijk zijn die vooruitlopen op het slopen van de bestaande panden en het bouwen van de nieuwe woningen. Specifiek moet de stoep waar de bomen staan worden vrijgemaakt en verwijderd voor de sanering van het terrein en voor het kunnen creëren van een bouwplaats. Het maatschappelijk belang waarvoor de bomen moeten worden gekapt is hiermee naar voorlopig oordeel voldoende aangetoond. Artikel 3.6.1.9, eerste lid, van de Verordening staat daarom niet aan vergunningverlening in de weg.
6.3
Anders dan in de zaak waarop de door verzoekster aangehaalde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland betrekking heeft, gaat het in dit geval niet om (potentieel) monumentale bomen. Uit het bestreden besluit blijkt dat de bomen een lage ecologische waarde hebben en daarom niet waardevol zijn. Dat de bomen een lage ecologische waarde hebben wordt door verzoekster ook niet betwist. Daarnaast wordt in de door verzoekster aangehaalde zaak niet uitgesloten dat een gewijzigd omgevingsplan zou moeten worden vastgesteld, waarbij bomen niet geveld zouden hoeven te worden om het perceel bouwrijp te maken. In het voorliggende geval staat evenwel vast dat de bomen moeten wijken voor een concrete ontwikkeling met nieuwe woningen, waarvoor binnen enkele weken omgevingsvergunningen voor bouwen en slopen zullen worden verleend.
6.4
Op de zitting heeft verzoekster in dit kader tevens gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2024 [2] , in het bijzonder naar overweging 21. Anders dan in die procedure kan er, eveneens gelet op de informatie die het college op de zitting heeft verstrekt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval van worden uitgegaan dat de omgevingsvergunning zal worden verleend voor het bouwplan zoals dat is ingediend.
6.5
Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat bomen 16 en 17 langer te laten staan bij het realiseren van de bouwplaats, omdat die bomen tijdens de bouwfase niet behouden kunnen blijven. De voorzieningenrechter kan dit standpunt van het college volgen. Daarom is naar voorlopig oordeel voldoende gemotiveerd dat alle 17 bomen op korte termijn moeten worden gekapt. Deze grond slaagt daarom niet.
Boomeffectanalyse (BEA)
7. Verzoekster voert verder aan dat het bestreden besluit tekortschiet ten aanzien van de individuele beoordeling per boom en de afwijking van het deskundigenadvies. Uit de BEA van 2 mei 2025 van Boomtotaalzorg Boomspecialisten blijkt immers dat het verplanten van de bomen 3, 6, 7, 16 en 17 wel kansrijk is.
7.1
Het college wijst erop dat in de BEA wordt aangegeven dat de meerderheid van de bomen een onvoldoende of slechte conditie heeft, met uitzondering van de beverbomen (magnolia’s), die recentelijk zijn aangeplant en nog een lange toekomstverwachting hebben. Vanwege de werkzaamheden wordt in de BEA de conclusie getrokken dat geen enkele boom behouden kan blijven. Het advies dat uit de BEA naar voren komt is om bomen 3, 6, 7, 16 en 17 te verplanten. Voor de overige bomen geldt dat deze vanwege de slechte conditie gecompenseerd moeten worden. Het college stelt zich op het standpunt dat er in dit geval, gelet op artikel 3.6.1.6, tweede lid, van de Verordening, geen verplichting bestaat tot verplanting van de bomen 3, 6, 7, 16 en 17, omdat de bomen een lage ecologische waardering hebben. Die lage ecologische waardering houdt volgens het college onder meer verband met de onvoldoende kwaliteit van de huidige groeiplaats. Met name daardoor hebben de bomen een beperkte kans om aan te slaan na verplanting. Daarom is ook voor deze bomen gekozen voor compensatie en niet voor het verplanten daarvan.
7.2
In wat verzoekster aanvoert ziet de voorzieningenrechter geen concreet aanknopingspunt om aan te nemen dat de door het college gemaakte afweging over het niet verplanten van genoemde vijf bomen op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit op dit punt voldoende gemotiveerd. Deze grond slaagt daarom evenmin.
Compensatieplan
8. Verzoekster stelt daarnaast dat het compensatieplan onvoldoende concreet is en niet voldoet aan de eisen van artikel 3.6.1.8, tweede lid, van de Verordening, omdat de daadwerkelijke aanplant pas wordt verwacht circa twee jaar na afronding van de bouwwerkzaamheden. Een compensatieplan waarbij de definitieve soortenkeuze en het tijdstip van de aanplant nog niet vaststaan, voldoet niet aan de vereisten van artikel 3.6.1.8 van de Verordening, aldus verzoekster.
8.1
Aan de vergunning is het voorschrift verbonden (voorschrift 4) dat vergunninghoudster binnen een jaar na oplevering van de nieuwe woningen aan de compensatie uitvoering moet geven. Vergunninghoudster is dan ook verplicht hieraan te voldoen. Slechts indien op voorhand vaststaat dat niet wordt voldaan aan een voorschrift van een omgevingsvergunning kan dit reden zijn voor schorsing van de vergunning. Daarvoor ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter treft ook het betoog van verzoekster dat het compensatieplan onvoldoende concreet is met betrekking tot de definitieve soortenkeuze geen doel. Het college heeft toegelicht dat in samenspraak met de Bomenbond Rijnland een compensatieplan is opgesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat het plan betrekking heeft op 17 aan te planten bomen, waarbij de soortnaam en de ecologische waarden (2 en 3) zijn vermeld. Hetgeen verzoekster hierover heeft aangevoerd slaagt daarom niet.
Strijd met flora- en faunaregels?
9. Volgens verzoekster is onvoldoende geborgd dat de kap niet plaatsvindt terwijl broedactiviteiten van vogels plaatsvinden.
9.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de vergunning als voorschrift 3 is verbonden dat het vellen van de bomen niet eerder mag plaatsvinden dan nadat is voldaan is aan alle eisen en voorwaarden uit de Omgevingswet betreffende flora- en fauna-activiteiten. Dat betekent onder meer dat een ecologisch deskundige onderzoek moet doen voorafgaand aan het kappen van een boom en dat een boom niet mag worden gekapt als er broedactiviteiten van vogels plaatsvinden.
9.2
Het college stelt dat in dit geval een ecologisch deskundige aan vergunninghoudster heeft aangegeven dat geen sprake is van nestvorming in de bomen, waardoor wat dat betreft het vellen van de houtopstanden doorgang kan vinden.
9.3
Uit de stukken blijkt dat het onderzoek door de ecoloog op 14 april 2024 heeft plaatsgevonden. Aangezien sindsdien ruim een maand is verstreken, is naar voorlopig oordeel een nieuwe inspectie door een ecoloog aangewezen om alsnog aan voorschrift 3 van de omgevingsvergunning te voldoen. Vergunninghoudster heeft op de zitting toegezegd dat een nader ecologisch onderzoek zal worden uitgevoerd voordat de bomen worden gekapt.
Daarmee is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat aan voorschrift 3 van de omgevingsvergunning wordt voldaan. Deze grond slaagt daarom evenmin.

Conclusie en gevolgen

10. Wat verzoekster heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit bij de heroverweging in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.