Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13201

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
NL25.57922
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk risico op vervolging en geen schending gezinsleven

Eiseres en haar minderjarige dochter hebben een asielaanvraag ingediend die door de minister is afgewezen. Eiseres stelt dat haar dochter in Mexico gevaar loopt vanwege discriminatie en ontvoeringspogingen, en dat de minister had moeten overwegen een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de pogingen tot ontvoering niet geloofwaardig zijn en dat het risico op ernstige schade onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Ook is niet aannemelijk dat de dochter niet beschermd kan worden door Mexicaanse autoriteiten. Daarnaast is vastgesteld dat geen sprake is van schending van het gezinsleven, omdat de toenmalige partner van eiseres mee kan naar Mexico of elders buiten Nederland het gezinsleven kan voortzetten.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag. Eiseres en haar dochter moeten terugkeren naar Mexico. De rechtbank kent geen proceskostenvergoeding toe.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag; eiseres en haar dochter moeten terugkeren naar Mexico.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57922

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

en haar minderjarige dochter
[minderjarige], V-nummer [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. T. Tichelaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en haar minderjarige dochter. Zij is het niet eens met de afwijzing. Zij voert aan dat zij niet kan terugkeren naar Mexico, omdat haar dochter daar gevaar loopt. Ook voert zij aan dat de minister gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om haar een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
Eiseres heeft in haar beroepschrift ook naar voren gebracht dat de dwangsom vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag ten onrechte volledig is toegekend aan haar voormalige partner. Deze grond heeft eiseres op de zitting ingetrokken. Hier geeft de rechtbank dan ook geen oordeel over.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is dat eiseres en haar dochter bij terugkeer naar Mexico een reëel risico lopen op vervolging of ernstige schade vanwege discriminatie. Ook heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres en haar dochter niet in aanmerking komen voor een vergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het onder 4. vermelde bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de gronden zoals onder 1. vermeld. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt dat zij en haar dochter de Mexicaanse nationaliteit hebben. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1987 en haar dochter op [geboortedatum 2] 2019. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, I.M. Khokhar als tolk, de gemachtigde van de minister en de voormalig partner van eiseres.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is [eiseres] , geboren op [geboortedatum 1] 1987. Haar dochter is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2019. Allebei hebben zij de Mexicaanse nationaliteit. Eiseres verklaart dat haar dochter niet veilig is in Mexico, omdat haar dochter vanwege haar uiterlijk wordt gediscrimineerd en kans loopt om ontvoerd te worden. In Mexico zijn al meerdere pogingen gedaan om haar dochter te ontvoeren. De eerste poging was in een supermarkt in Mexico. Een beveiliger en een caissière vertelden eiseres dat zij werd achtervolgd door een man. De beveiliger vertelde dat deze man foto’s maakte van haar dochter. De tweede poging was in een bank. Daar waren twee vrouwen met een pruik die voorstelden om op haar dochter te passen als eiseres aan de beurt was.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • meerdere pogingen tot ontvoering van de dochter van eiseres.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres en haar dochter geloofwaardig zijn. De pogingen tot ontvoering van de dochter vindt de minister niet geloofwaardig. De minister concludeert dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging of dat zij bij terugkeer naar Mexico een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft de minister de asielaanvraag afgewezen.
Is aannemelijk gemaakt dat eiseres en haar dochter bij terugkeer naar Mexico een reëel risico lopen op ernstige schade vanwege discriminatie?
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres en haar dochter bij terugkeer naar Mexico een reëel risico lopen op ernstige schade. Daarvoor is het volgende van belang.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in het bestreden besluit uiteen heeft gezet waarom de gestelde pogingen tot ontvoering van de dochter niet geloofwaardig zijn. Zo heeft de minister uiteen gezet dat de verklaringen geen inzicht geven in de gestelde pogingen, wisselend zijn over wanneer de gestelde pogingen hebben plaatsgevonden en niet aannemelijk maken waarom de dochter doelwit is van ontvoeringen. Hiertegen heeft eiseres geen gronden aangevoerd. Eiseres voert alleen aan dat het volgens haar vaste praktijk is dat kinderen in Mexico worden ontvoerd als zij -vanwege hun uiterlijk- worden gezien als migrant/asielzoeker. Hiervoor verwijst zij naar informatie uit openbare bronnen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar dochter het risico lopen dat hen dit ook overkomt.
5.2.
Van belang daarbij is dat niet aannemelijk is gemaakt dat de aangehaalde openbare informatie betrekking heeft op de situatie van eiseres en haar dochter. Eiseres verwijst naar (niet vertaalde) berichten op sociale media en een internetartikel. Hierin worden individuele gevallen beschreven. Het is niet duidelijk geworden dat deze gevallen vergelijkbaar zijn met de situatie van eiseres en haar dochter. Namelijk een moeder en dochter met de Mexicaanse nationaliteit. Verder verwijst eiseres naar het rapport Human Rights Watch World Report 2025. Zij verwijst naar de passage waarin staat dat migranten en asielzoekers regelmatig slachtoffer zijn van onder andere seksueel geweld, gewapende overvallen, ontvoering en afpersing. Ook bij deze informatie is niet duidelijk geworden dat dit betrekking heeft op de situatie van eiseres en haar dochter als Mexicaanse staatsburgers. Eiseres heeft in dit kader er op gewezen dat de huidskleur van haar dochter zodanig is, dat zij als migrant zal worden aangezien en daarmee wel degelijk het risico loopt op ontvoering. De rechtbank overweegt dat zelfs als dit standpunt gevolgd zou worden ook niet aannemelijk is geworden dat eiseres als Mexicaanse staatsburger dan niet de bescherming kan inroepen van de Mexicaanse autoriteiten of dat dit bij voorbaat zinloos is. De enkele stelling van eiseres dat de politie dit soort verhalen niet serieus neemt, is daartoe onvoldoende.
Had de minister gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft uitgelegd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om eiseres en haar dochter een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarvoor is het volgende van belang.
6.1.
Uit rechtspraak kan worden afgeleid dat artikel 8 van Pro het EVRM geen algemene verplichting voor een staat inhoudt om de woonplaatskeuze van de leden van een familie of gezin te eerbiedigen. Verder is geen sprake van een schending van het in artikel 8 van Pro het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als (1) de beoogde verwijdering het gehele kerngezin of de kernfamilie betreft, (2) van rechtmatig verblijf van de leden van dit gezin of die familie geen sprake (meer) is en (3) de gezins- of familieleden niet als gevolg van deze verwijdering van elkaar zullen worden gescheiden. [1]
6.2.
Het is niet langer in geschil dat tussen eiseres, haar toenmalige partner en hun dochter sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Zoals in het bestreden besluit staat vermeld, zijn de asielaanvragen van eiseres, haar toenmalige partner en hun dochter afgewezen. Zij hebben geen recht om in Nederland te blijven. Ook hebben zij geen rechtmatig verblijf gehad op grond van een verblijfsvergunning. Allemaal moeten zij Nederland verlaten. De minister heeft zich op het standpunt mogen stelen dat door de afwijzing van de asielaanvragen geen sprake is van scheiding van het gezinsleven. Het is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de toenmalige partner van eiseres, afkomstig uit Gambia, niet met hen meekan naar Mexico. Eiseres verwijst naar informatie uit het rapport van Human Rights Watch, World Report 2025. Daarin staat dat migranten en asielzoekers regelmatig slachtoffer zijn van onder andere seksueel geweld, gewapende overvallen, ontvoering en afpersing. Dit maakt nog niet dat de toenmalige partner hiervoor in Mexico daadwerkelijk heeft te vrezen én hier geen bescherming tegen kan krijgen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres en haar dochter niet samen met de toenmalige partner naar zijn land van herkomst, Gambia, of ergens anders buiten Nederland hun gezinsleven kunnen voortzetten. Daarmee is ook niet aannemelijk geworden dat de dochter niet met beide ouders kan opgroeien. Wat eiseres heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de minister verplicht was om het verblijf van eiseres en de vader van haar dochter vanwege artikel 8 van Pro het EVRM toe te staan.
6.3.
Voor wat betreft het gestelde opgebouwde privéleven wordt overwogen dat wanneer het privéleven wordt opgebouwd tijdens illegaal verblijf of een periode waarin de verblijfsrechtelijke status onzeker is, privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten van dat privéleven. [2] Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn niet aangevoerd en ook niet onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres en haar dochter moeten terugkeren naar Mexico. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 19 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI2301).
2.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4278).