Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder had de rechtbank een termijn van acht weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen, maar deze termijn is verstreken zonder besluit.
De rechtbank overweegt dat in dit geval geen ingebrekestelling vereist is vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken beslistermijn uit de eerdere uitspraak. De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken vast, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.