De zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder had de rechtbank bij uitspraak van 6 mei 2025 een termijn van acht weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. Deze termijn is inmiddels ruim overschreden, namelijk met 21 maanden.
De rechtbank overweegt dat een ingebrekestelling in dit geval niet vereist is vanwege de eerdere uitdrukkelijke termijnstelling. De minister krijgt een nieuwe beslistermijn van zes weken om alsnog een besluit te nemen. Bij overschrijding van deze termijn verbeurt de minister een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467, vanwege de inschakeling van een professionele juridische hulpverlener. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en legt de genoemde dwangsom en kostenveroordeling op.