Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
NL25.39735
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:11 AwbArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU en arrest Chavez-Vilchez

Eiser, een meerderjarige van Surinaamse nationaliteit, verzocht om een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez om zich bij zijn moeder en zusje in Nederland te vestigen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond. Eiser stelde dat het peilmoment onjuist was gekozen en dat hij afhankelijk is van zijn moeder, maar de rechtbank oordeelde dat toetsing ex nunc plaatsvindt en dat de meerderjarige leeftijd op het moment van beslissing relevant is.

De rechtbank overwoog dat het arrest K.A. uitzonderlijke afhankelijkheidsrelaties erkent, maar dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij zodanig afhankelijk is van zijn moeder dat een afgeleid verblijfsrecht ontstaat. Ook het jongvolwassenenbeleid en het belang van het kind werden niet als toepasselijk geacht in deze procedure. De rechtbank vond dat verweerder terecht geen hoorzitting hield gezien de omstandigheden.

Hoewel eiser persoonlijke omstandigheden aanvoerde, waaronder het overlijden van zijn vader en broer en de zorg van zijn moeder, vond de rechtbank dat deze geen uitzonderlijke situatie vormden die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar eiser kreeg het betaalde griffierecht vergoed en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.39735
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2007, van Surinaamse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. S.K. van der Steen-Jhinnoe).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU Pro [1] en het arrest Chavez-Vilchez [2] .
1.2.
Met het besluit van 2 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez afgewezen.
1.3.
Met het besluit van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1.
Eiser heeft op 7 november 2024 verzocht om de afgifte van een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez om zich samen met zijn moeder en zusje in Nederland te kunnen vestigen bij [persoon 1] . Eiser is een derdelands voorkind van een derdelands ouder [persoon 2] (referent) van Guyaanse nationaliteit. Referent heeft een minderjarig Nederlands kind en is in het bezit gesteld van een faciliterend visum. Op 12 mei 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en op 28 mei 2025 is er een beroep niet tijdig beslissen ingediend.
2.2.
Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU Pro afgewezen. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiser meerderjarig is. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie op meerderjarige leeftijd tussen eiser en referent dat aan eiser een afgeleid verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest K.A. [3] Verweerder heeft op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb [4] afgezien van het horen als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb.

Het oordeel van de rechtbank

Griffierecht
3. Eiser heeft een verzoek gedaan tot vrijstelling voor betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft eiser met de brief van 22 augustus 2025 verzocht om zijn verzoek binnen twee weken na de dag van verzending van de brief te onderbouwen met gegevens over zijn inkomen en vermogen. Eiser heeft niet aan dit verzoek voldaan. Met de brief van 8 september 2025 heeft de rechtbank het verzoek van eiser voorlopig afgewezen. De rechtbank wijst het verzoek van eiser definitief af.
Peilmoment
4.1.
Eiser voert aan dat verweerder een onjuist peilmoment heeft gehanteerd. Volgens eiser had verweerder de aanvraagdatum van 7 november 2024 als peilmoment moeten nemen voor de beoordeling van de aanvraag. Eiser stelt dat het gedurende de procedure bereiken van de meerderjarige leeftijd hem niet kan worden tegengeworpen. Volgens eiser is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat getoetst wordt aan de situatie op het moment van het opmaken van de beschikking. In artikel 7:11 van Pro de Awb is bepaald dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Dit betekent dat in de bezwaarfase de aanvraag opnieuw wordt beoordeeld op basis van de op dat moment geldende feiten en omstandigheden (ex nunc). Naar vaste jurisprudentie dient de toetsing in bezwaar ex nunc te geschieden, tenzij de aanvraag ex tunc bezien ingewilligd had moeten worden en er juridisch geen basis is om die inwilliging in te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de feiten en omstandigheden en daarmee de meerderjarige leeftijd van eiser ten tijde van de beslissing op bezwaar als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de aanvraag, gelet op doel, strekking en maximumduur van het Chavez-visum. [5] De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder de keuze voor het peilmoment beter had moeten motiveren. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Omdat eiser in beroep alsnog de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunten toe te lichten en dit niet tot een andere uitkomst leidt, is aannemelijk dat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. Daarom passeert de rechtbank dit gebrek.
Afhankelijkheidsrelatie
5.1.
Eiser voert aan dat verweerder had moeten toetsen of de afwijzing van de aanvraag van eiser de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van referent en haar minderjarige kind ondermijnt. Eiser is afhankelijk van zijn moeder en zij hebben altijd samengewoond. Door eiser de toegang te weigeren wordt referent voor een onmogelijke keuze gesteld, omdat zij haar kind moet achterlaten en de Europese Unie moet verlaten.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Het arrest K.A. maakt duidelijk dat een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU ook kan bestaan bij meerderjarige derdelandse kinderen van derdelandse ouders met een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU vanwege hun minderjarige kinderen die EU-burger zijn. Zo volgt uit het arrest K.A. dat een derdelander niet uitsluitend een verblijfsaanspraak aan artikel 20 van Pro het VWEU kan ontlenen indien hij verblijf beoogt bij zijn minderjarige kind dat EU-burger is, maar dat ook een afgeleid verblijfsrecht kan ontstaan op grond van artikel 20 VWEU Pro als een derdelander verblijf beoogt bij een meerderjarig familielid. In het arrest heeft het Hof uitgelegd dat een situatie waarin een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU doet ontstaan, in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar is. Dit is het geval als de meerderjarige derdelander en de meerderjarige EU-burger zodanig afhankelijk van elkaar zijn dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden.
5.3.
Uit de door eiser overgelegde schoolverklaring van 13 augustus 2024 volgt dat eiser onderwijs volgt. Uit de door eiser overgelegde verklaring van 15 augustus 2024 volgt dat eiser bij de betreffende polikliniek staat ingeschreven en dat de controles onder begeleiding van referent hebben plaatsgevonden. Verder heeft eiser vaccinatiegegevens van 2021 en meerdere foto’s overgelegd. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat hiermee niet is aangetoond dat eiser zodanig afhankelijk is van referent dat referent haar minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit zou moeten achterlaten om zich bij eiser te voegen. De beroepsgrond slaagt niet.
Jongvolwassenenbeleid
6.1.
Eiser voert aan dat geen kenbare toets aan artikel 8 EVRM Pro [6] heeft plaatsgevonden en dat verweerder ten onrechte het jongvolwassenenbeleid niet bij de beoordeling heeft betrokken. Volgens eiser levert dit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek op.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De onderhavige aanvraag ziet op een faciliterend visum op grond van artikel 20 van Pro het VWEU en kent daarmee een eigen afgebakend toetsingskader. Artikel 8 EVRM Pro maakt naar het oordeel van de rechtbank geen deel uit van deze procedure. Eiser dient daarvoor een separate aanvraag in te dienen. [7] De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 4:84 van Pro de Awb
7.1.
Eiser voert aan dat verweerder op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb van het beleid had moeten afwijken, omdat strikte toepassing in deze zaak tot onevenredige gevolgen leidt in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Volgens eiser is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat hij ten tijde van de aanvraag minderjarig was, zijn vader is overleden en referent de dagelijkse zorg voor hem draagt en hem financieel onderhoudt. Ook hebben eiser en referent samengewoond en is de oudere broer van eiser vorig jaar overleden.
7.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Elke zaak is uniek, en elk mens heeft een eigen persoonlijke en unieke situatie. Dat is op zich echter niet genoeg voor toepasselijkheid van artikel 4:84 Awb Pro. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen uitzonderlijk geheel vormen op grond waarvan afwijking van het beleid gerechtvaardigd is. Hoewel het invoelbaar is dat eiser graag bij zijn moeder wil verblijven, maakt dit niet dat het bestreden besluit onevenredig is. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiser inmiddels en ten tijde van het bestreden besluit meerderjarig is en blijft. Dat sprake is van ingrijpende life-events waaronder het overlijden van de vader en broer van eiser, maakt dat verweerder genade voor recht zou moeten laten gelden. Voor een dergelijke conclusie ontbreekt de juridische basis. De beroepsgrond slaagt niet.
Kindbelangen
8.1.
Eiser voert aan dat het belang van het kind in de zin van artikel 24 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het IVRK [8] ten onrechte niet expliciet in de afweging zijn betrokken. Volgens eiser is het bestreden besluit daarnaast in strijd met artikel 17 van Pro Richtlijn 2003/86/EG.
8.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder de door eiser aangevoerde omstandigheden, waaronder de gestelde afhankelijkheid, samenwoning en persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling. Daarbij is terecht aangesloten bij de maatstaf uit het K.A. arrest, waarin slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat verblijf moet worden toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat daarvan geen sprake is, zodat aan de aangevoerde omstandigheden geen doorslaggevende betekenis toekomt. Eiser heeft niet geconcretiseerd welke belangen onvoldoende zijn meegewogen. Het belang van het kind, artikel 17 van Pro Richtlijn 2003/86/EG of de gestelde gezinseenheid maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders, waarbij de rechtbank ook terugverwijst naar overweging 7.2 hiervoor. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
9.1.
Eiser voert aan dat de hoorplicht is geschonden.
9.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [9] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [10] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, ook gelet op de verschillende functies van de hoorzitting, zoals het in onderling overleg komen tot een oplossing. Naarmate de in een zaak spelende omstandigheden meer individueel en persoonlijk van aard zijn, ligt horen des te meer in de rede en dient van het houden van een hoorzitting niet te snel te worden afgezien. Gelet op de meerderjarige leeftijd van eiser kon naar het oordeel van eiser op voorhand gezegd worden dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat de gronden in bezwaar niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond.
11. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wel aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt en om verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. Eiser heeft immers terecht de beroepsgrond voorgedragen dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft.
12. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Belhadi, griffier
.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, K.A. e.a. tegen de Belgische Staat, ECLI:EU:C:2018:308.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Zie ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2474 en 28 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4902.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Zie de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 4 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5690.
8.Verdrag inzake de rechten van het kind.
9.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.