In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 28 januari 2026, gaat het om een beroep dat is ingediend door eiser, vertegenwoordigd door mr. S.R. Nohar, tegen de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelt dat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn opvolgende asielaanvraag, ingediend op 22 mei 2025. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting beoordeeld en vastgesteld dat de beslistermijn is verstreken. Eiser heeft de minister verzocht om alsnog binnen twee weken te beslissen, maar dit verzoek is niet ingewilligd, wat heeft geleid tot het indienen van beroep.
De rechtbank heeft het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond verklaard. De minister is verplicht om binnen een termijn van zestien weken na de bekendmaking van deze uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank heeft daarbij het ‘8+8 wekenmodel’ toegepast, wat inhoudt dat de minister een nieuwe beslistermijn moet hanteren. Indien de minister deze termijn overschrijdt, is hij een dwangsom van € 100,- per dag verschuldigd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast is de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-.
De uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Eiser heeft de mogelijkheid om binnen zes weken na de bekendmaking van de uitspraak een verzetschrift in te dienen als hij het niet eens is met de uitspraak.