De minister heeft op 26 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep instelde tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank had deze maatregel reeds eerder getoetst en verklaarde deze toen rechtmatig tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 4 november 2025.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was in het uitzettingstraject, dat er geen laissez-passer was afgegeven en dat er geen zicht was op uitzetting naar Marokko. De rechtbank oordeelde dat de minister maandelijks vertrekgesprekken voerde en rappels stuurde naar de Marokkaanse autoriteiten, wat voldoende voortvarendheid toont. Ook is er geen reden om aan te nemen dat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen afgeven.
Verder stelde eiser dat de belangenafweging onvoldoende was, omdat de maatregel al langer dan twee maanden duurde. De rechtbank volgde dit niet, omdat de zesmaandentermijn nog niet was verstreken en er geen bijzondere omstandigheden waren die een verzwaarde belangenafweging vereisten.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurt en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen proceskostenvergoeding aan eiser toegekend.