ECLI:NL:RBDHA:2026:13723

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
12071085
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:672 lid 11 BWArt. 7:681 lid 1 onderdeel a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-rechtsgeldige opzegging arbeidsovereenkomst en toekenning billijke vergoeding

Werknemer was sinds augustus 2024 in dienst bij werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot juli 2026. Op 30 november 2025 bevestigde werkgever de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 zonder toestemming van het UWV of schriftelijke instemming van werknemer.

Werknemer verzocht om een billijke vergoeding wegens onregelmatige opzegging en betaling van de transitievergoeding. Werkgever stelde dat werknemer had ingestemd met de beëindiging en dat de opzegging rechtsgeldig was.

De kantonrechter oordeelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat geen toestemming van het UWV was verkregen en geen schriftelijke instemming van werknemer bestond. De billijke vergoeding werd vastgesteld op € 2.000 bruto, rekening houdend met de periode zonder inkomen. De transitievergoeding van € 644 bruto werd eveneens toegewezen. De gefixeerde schadevergoeding werd afgewezen omdat de opzegtermijn was nageleefd.

De proceskosten werden aan werkgever opgelegd wegens ernstig verwijtbaar handelen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig, werkgever moet billijke vergoeding en transitievergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer / rekestnummer: 12071085 \ RP VERZ 26-50103
Beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
[verzoende partij],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. E.J.W. Schuijlenburg,
tegen
[verwerende partij] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: werkgever,
gemachtigde: mr. B. al Yassiri.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 20 januari 2026 met producties,
- het verweerschrift van 20 april 2026 met producties,
- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Werknemer, geboren [geboortedatum] 2005, is sinds 18 augustus 2024 in dienst bij werkgever. De functie van werknemer is telefonisch medewerker met een loon van € 1.302,40 bruto per maand. Werknemer had (laatstelijk) een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 juli 2025 tot 1 juli 2026.
2.2.
In een e-mail van 30 november 2025 bevestigt de werkgever haar besluit om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Het is volgens de werkgever een zakelijke afweging en staat los van de inzet van werknemer. Verder schrijft de werkgever dat in de arbeidsovereenkomst een opzegclausule is afgesproken zodat zij de arbeidsovereenkomst tussentijds mag beëindigen. Zij begrijpt dat werknemer het niet eens is met de keuze, maar dat verandert niets aan het genomen besluit. Werknemer wordt vrijgesteld van werk en de arbeidsovereenkomst eindigt formeel met ingang van 1 januari 2026.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Werknemer verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en verzoekt om de werkgever te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens werknemer is de opzegging niet rechtsgeldig. De werkgever heeft weliswaar met inachtneming van de opzegtermijn de arbeidsovereenkomst opgezegd, maar dit is gebeurd zonder toestemming van het UWV of de schriftelijke instemming van werknemer. Daarom is het gegeven ontslag vernietigbaar. Werknemer berust in het gegeven ontslag, maar maakt wel aanspraak op onder meer een billijke vergoeding. Werknemer heeft twee maanden zonder inkomen gezeten en zou normaliter tot 1 juli 2026 inkomsten genieten. Een vergoeding van twee maandsalarissen is daarom billijk. Daarnaast doet werknemer een beroep op artikel 7:672 lid 11 BW Pro (gefixeerde schadevergoeding) omdat tegen een eerdere dag is opgezegd dan die tussen partijen geldt.
3.2.
De werkgever voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij voert ‑ samengevat ‑ aan dat werknemer heeft ingestemd met het voorstel van de werkgever om de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 te beëindigen. Dit is op 29 november 2025 besproken en in de e-mail van 30 november 2025 heeft de werkgever dit bevestigd aan werknemer. Werknemer heeft die afspraak ook nageleefd. Hij heeft niet meer gewerkt in december 2025 en wel zijn salaris ontvangen. Evenmin heeft hij daartegen tijdig bezwaar gemaakt. Pas in januari 2026 maakt hij bezwaar. De werkgever heeft op dat moment aangeboden om de arbeidsovereenkomst te herstellen.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan werknemer een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of de werkgever moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.3.
Vast staat dat de werkgever geen toestemming heeft van het UWV om de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn op te zeggen. Anders dan de werkgever heeft betoogd is niet gebleken van een schriftelijke instemming van de werknemer met het einde van zijn arbeidsovereenkomst. De bevestiging van de werkgever per e-mail van 30 november 2025 kan niet als zodanig worden beschouwd. In die e-mail staat ook dat het een bevestiging is van “
ons besluit om de arbeidsovereenkomst te beëindigen”, “
Jouw arbeidsovereenkomst mogen we tussentijds beëindigen.” en “
We begrijpen dat je het niet een bent met deze keuze, maar dit verandert niets aan het genomen besluit.”. Hieruit maakt de kantonrechter op dat het de werkgever is die de keuze heeft gemaakt om niet verder te gaan met de werknemer en gebruik wil maken van de opzegmogelijkheid die de arbeidsovereenkomst biedt. Die opzegmogelijkheid moet echter wel gepaard gaan met een toestemming van het UWV. Nu die toestemming er niet is en ook werknemer niet heeft ingestemd, is het gegeven ontslag niet rechtsgeldig gegeven. Dat werknemer niet eerder heeft geprotesteerd dan in januari 2026 leidt niet tot een beëindigingsovereenkomst waarbij werknemer met het einde van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd.
4.4.
Het verzoek van werknemer tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. [1] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldige opzegging als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [2]
4.5.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [3] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.6.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 2.000 bruto. Daarbij is in aanmerking genomen dat werknemer, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, medio februari 2026 weer enige inkomsten heeft ontvangen uit werkzaamheden en vanaf maart 2026 weer volledig. De twee maanden dat werknemer zonder werk en inkomsten zou zitten, zoals in het verzoekschrift staat, zijn daarmee teruggebracht tot ongeveer zes weken. De kantonrechter acht een vergoeding van ongeveer anderhalve maandsalaris dan ook billijk. Dat de werkgever in januari 2026 wilde terugkomen op het gegeven ontslag geeft geen aanleiding om de billijke vergoeding te matigen. Het stond werknemer immers vrij niet akkoord te gaan met de intrekking nu hij al had berust in het ontslag. De werkgever zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.000 bruto.
4.7.
Het verzoek om de werkgever te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. Daarbij is van belang dat de gevorderde hoogte van € 644 bruto niet is weersproken. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding van € 644.
4.8.
De gefixeerde schadevergoeding van een maandsalaris zal worden afgewezen. Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Niet in geschil is dat de opzegtermijn van de werkgever één maand betrof. Evenmin is in geschil dat de werkgever heeft opgezegd met inachtneming van die opzegtermijn van één maand. Er is dus niet, zoals de wet vereist, opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt. Er bestaat daarom geen grondslag tot toekenning van deze vergoeding.
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van de werkgever, omdat zij overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De proceskosten aan de zijde van werknemer worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat het door werkgever aan werknemer per 1 januari 2026 gegeven ontslag niet geldig is,
5.2.
veroordeelt de werkgever om aan werknemer een billijke vergoeding te betalen van € 2.000 bruto,
5.3.
veroordeelt de werkgever om aan werknemer een transitievergoeding te betalen van € 644 bruto,
5.4.
veroordeelt werkgever in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad [4] ,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
4.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.