ECLI:NL:RBDHA:2026:1373

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
23_7226
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WWArt. 17 WWArt. 17a WWArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis bij noodgedwongen verblijf in buitenland

Eiseres werkte als uitzendkracht en vertrok voor familiebezoek naar Sierra Leone, waar zij door verlies van haar vreemdelingendocument noodgedwongen langer verbleef. Haar dienstverband was bij terugkeer beëindigd. Zij vroeg een WW-uitkering aan, maar verweerder wees deze af omdat zij niet voldeed aan de wekeneis van 26 gewerkte weken in de referteperiode van 36 weken.

Eiseres stelde dat haar verblijf in het buitenland gelijkgesteld moest worden met onbetaald verlof, waardoor de referteperiode zou moeten worden verlengd en zij wel aan de wekeneis zou voldoen. De rechtbank oordeelde dat onbetaald verlof alleen geldt indien dit tussen werkgever en werknemer is overeengekomen, wat hier niet het geval was.

De rechtbank bevestigde dat het noodgedwongen verblijf niet als onbetaald verlof kan worden aangemerkt en dat eiseres daarom niet aan de wekeneis voldoet. Het beroep werd ongegrond verklaard. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat het noodgedwongen verblijf in het buitenland niet als onbetaald verlof geldt, waardoor eiseres niet aan de wekeneis voldoet en geen WW-uitkering ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7226

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

Bij besluit van 3 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.
Bij besluit van 16 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres is op 4 oktober 2021 als uitzendkracht gaan werken bij [bedrijfsnaam] B.V. Op 4 november 2022 is zij voor familiebezoek vertrokken naar Sierra Leone. Haar retourticket was geboekt voor 30 november 2022. Op 27 november 2022 kwam eiseres erachter dat haar vreemdelingendocument kwijt was. Zij kon daardoor niet naar Nederland terugkomen. Zij heeft een nieuw vreemdelingendocument aangevraagd en verkregen. Met dit document is zij op 10 april 2023 weer teruggekeerd naar Nederland. Haar dienstverband met [bedrijfsnaam] B.V. was toen al beëindigd.
2. Op 30 april 2023 heeft eiseres een WW-uitkering aangevraagd. Zij heeft op de aanvraag vermeld dat zij vanaf 10 april 2023 werkloos is geworden. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, op de grond dat eiseres in de periode van 36 weken voor 10 april 2023 niet in minstens 26 weken loon heeft ontvangen en daarmee niet voldoet aan de wekeneis als bedoelt in artikel 17 van Pro de WW.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de gegevens van de werkgever en de belastingdienst is gebleken dat eiseres in de referteperiode van 1 augustus 2022 tot 9 april 2023 slechts over de periode van 1 augustus 2022 tot en met 4 december 2022 heeft gewerkt en loon heeft ontvangen. Eiseres heeft daarmee van de 36 weken slechts 18 weken gewerkt, zodat zij niet voldoet aan de wekeneis. Dat eiseres buiten haar schuld vast zat in het buitenland, maakt volgens verweerder niet dat kan worden afgeweken van de wekeneis.
4. Eiseres voert aan dat zij vanaf 4 november 2022 met vakantie is gegaan en deze vakantie daarna noodgedwongen is doorgelopen. Daarom dient de periode van 4 november 2022 tot en met 9 april 2023 niet mee te tellen bij de referteperiode. Haar verblijf aldaar is immers vergelijkbaar met onbetaald verlof zoals genoemd in artikel 17a, eerste lid, onder c van de WW. De referteperiode dient daarom ruim voor 1 augustus 2022 te beginnen waarmee zij ruimschoots voldoet aan de wekeneis.
5.1.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
5.2.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WW ontstaat recht op uitkering voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft.
5.3.
Ingevolge artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW worden voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde Pro aantal van 36 kalenderweken niet in aanmerking genomen kalenderweken gedurende welke de werknemer wegens het genieten van onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht, tot een maximum van 78 kalenderweken.
6.1.
Vast staat dat eiseres op haar aanvraag als eerste werkloosheidsdag de datum 10 april 2023 heeft opgegeven.
6.2.
Het is vaste rechtspraak [1] van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) dat artikel 17a, eerste lid, van de WW restrictief moet worden uitgelegd. Deze restrictieve uitleg brengt mee dat slechts dan sprake kan zijn van voorverlenging van de referteperiode, indien zich één van de in artikel 17a, eerste lid, van de WW omschreven situaties voordoet én uitsluitend die situatie er de oorzaak van is dat de betrokken werknemer niet heeft gewerkt.
6.3.
Voorts heeft de CRVB in de uitspraak van 14 juni 2017 [2] overwogen dat uit de omschrijving van het begrip ‘verlof’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de WW volgt dat daarvan slechts sprake kan zijn indien tussen werkgever en werknemer is overeengekomen dat de werknemer gedurende een bepaald tijdvak voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd geen arbeid verricht en de werkgever op grond daarvan het loon over dat gedeelte niet is verschuldigd. Niet voldoende is dat de werknemer gedurende een aantal weken niet heeft gewerkt en niet is doorbetaald.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de periode dat eiseres (noodgedwongen langer) in Sierra Leone verbleef anders dan vakantie niet is aan te merken als een periode van onbetaald verlof in de zin van artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW.
Niet is gebleken dat het langere verblijf aldaar het gevolg was van een afspraak van eiseres met haar werkgever dat zij geen arbeid hoefde te verrichten. Verweerder heeft terecht de referteperiode vastgesteld op de periode van 1 augustus 2022 tot 9 april 2023. Nu eiseres in die periode minder dan 26 weken heeft gewerkt voldoet eiseress niet aan de wekeneis. Verweerder heeft dan ook terecht besloten dat eiseres per 10 april 2023 geen recht heeft op een WW-uitkering.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9.1.
Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd (uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2009 [3] ).
9.2.
De redelijke termijn neemt een aanvang met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 12 mei 2023 en heeft op 16 oktober 2023 een beslissing op het bezwaar genomen. De procedure is geëindigd met de uitspraak van heden, 4 februari 2026. Daarmee heeft de procedure in totaal 2 jaar en (naar boven afgerond) 9 maanden geduurd, zodat de redelijke termijn is overschreden met 9 maanden. De overschrijding is geheel aan de rechtbank toe te rekenen.
9.3.
Uitgegaan wordt van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar, of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. Eiseres heeft daarmee recht op een vergoeding van € 1.000,-.
9.4.
De rechtbank zal de Staat in voornoemde kosten veroordelen. De Staat dient ook de door eiseres gemaakte proceskosten in verband met het verzoek te vergoeden. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.000,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift
sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.