Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL26.20233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3:2 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië op grond van Dublinverordening

Eiser diende op 12 januari 2026 een asielaanvraag in, die de minister op 9 april 2026 niet in behandeling nam omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser stelde beroep in en verzocht om aanhouding van de procedure in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht Kroatië als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen, mede omdat Kroatië het verzoek tot terugname heeft geaccepteerd. Het door eiser overgelegde medische dossier is onvoldoende om aan te tonen dat overdracht aan Kroatië leidt tot een reëel en bewezen risico op aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid, zoals vereist op grond van het arrest C.K.

Verder is het betoog dat de minister het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door een brief van de Kroatische autoriteiten niet te vertalen of inhoudelijk te beoordelen ongegrond. De rechtbank stelt vast dat deze brief geen invloed heeft op de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de asielaanvraag.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om aanhouding af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier I.S. Pruijn op 26 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is en geen reëel risico op ernstige gezondheidsschade is aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20233

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Verzoek om aanhouding
4. Eiser verzoekt de behandeling van het beroep aan te houden, in afwachting van prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. [3] Eiser voert aan dat de uitkomst van die procedure van belang is, omdat hij uitdrukkelijk een beroep doet op het arrest C.K. [4] Een overdracht aan Kroatië zal volgens eiser namelijk aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen hebben voor zijn gezondheidstoestand als bedoeld in dat arrest.
4.1.
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden. Zoals hierna onder 6.2 wordt toegelicht, ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat sprake is van een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheid van eiser bij overdracht aan Kroatië. Het beperkte overgelegde medisch dossier is onvoldoende om een aanhouding toe te wijzen.
Heeft de minister bij de voorbereiding van het besluit het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
5. Eiser betoogt dat de minister bij de voorbereiding van het bestreden besluit het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Hij voert daartoe aan dat hij tijdens het aanmeldgehoor een brief van de Kroatische autoriteiten heeft overgelegd, waarin volgens hem stond dat hij Kroatië mocht verlaten. Volgens eiser is dit document ten onrechte niet door de minister vertaald of inhoudelijk beoordeeld. Eiser voert aan dat deze brief mogelijk laat zien dat een andere claimgrond van toepassing zou zijn of dat Kroatië niet meer verantwoordelijk is. Door dit na te laten is volgens eiser het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. [5]
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het verslag van het gehoor aanmeldfase van 29 januari 2026 blijkt dat eiser een brief (in het Kroatisch) aan de gehoormedewerker heeft overhandigd en heeft toegelicht dat daarin zou staan dat hij het land daarmee op een veilige manier kon verlaten. Niet in geschil is verder dat eiser een asielaanvraag heeft gedaan in Kroatië en dat de autoriteiten van Kroatië het claimverzoek van Nederland hebben geaccepteerd. Daarmee is Kroatië verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De rechtbank stelt vast dat het gebruik van een eventuele verkeerde claimgrond in het verzoek om terugname niet afdoet aan deze verantwoordelijkheid. [6] Het noemen van een mogelijk onjuiste bepaling en de acceptatie van de lidstaat op een onjuiste bepaling maakt namelijk niet dat er geen geldig claimakkoord tot stand is gekomen. Het overleggen van een brief van de Kroatische autoriteiten heeft dus geen invloed op de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Dat de minister de brief, die deel uitmaakt van het dossier waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in het bestreden besluit niet heeft benoemd maakt daarom ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.
Had de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening moeten toepassen en is sprake van een risico zoals bedoeld in het arrest C.K?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich moet trekken, omdat overdracht aan Kroatië leidt tot onevenredige hardheid. Hij wijst daarbij op zijn medische problematiek, waaronder een melding van suïcidale indicatie tijdens de medische screening. Ook wijst hij op eerder traumatische ervaringen, waaronder een acute crisissituatie in zijn land van herkomst en een marteling door de Turkse autoriteiten. Eiser voert aan dat hij medisch wordt behandeld in Nederland, pas negentien jaar oud is en zijn rust heeft gevonden in Nederland. Ter onderbouwing heeft eiser een medisch dossier overgelegd. Volgens eiser is sprake van een cumulatie van omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië een risico oplevert op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Hij voert aan dat de minister moet beoordelen of overdracht aan Kroatië in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Hij doet daarbij een uitdrukkelijk beroep op het arrest C.K.
6.1.
Ten aanzien van artikel 17 van Pro de Dublinverordening stelt de rechtbank vast dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië zou leiden tot onevenredige hardheid. De rechtbank stelt verder vast dat uit het arrest C.K. en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 november 2017 [7] volgt dat overdracht achterwege moet blijven wanneer een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Overdracht mag namelijk niet leiden tot een reëel risico op onmenselijk of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest. Het is aan eiser om dit met objectieve gegevens te onderbouwen.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië leidt tot onevenredige hardheid of een reëel risico oplevert op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid. Het overgelegde medische dossier is daarvoor onvoldoende. Hoewel uit dit dossier blijkt dat eiser medische klachten heeft, is hiermee niet onderbouwd dat hij specialistische zorg (nodig) heeft die uitsluitend in Nederland beschikbaar is. De minister wijst in dit kader dan ook terecht op het feit dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Kroatië. [8] Dit wordt door eiser ook niet betwist. Dit betekent dat de medische voorzieningen in Kroatië vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Het enkele feit dat hij medische klachten heeft, is onvoldoende om te spreken van bijzondere individuele omstandigheden. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht gesteld dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet toegepast hoeft te worden en dat er geen risico zoals bedoeld in het arrest C.K. bestaat.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.22 oktober 2025, Rechtbank Den Haag, zp. Roermond, ECLI:NL:RBDHA:2025:19325.
4.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië.
5.Zoals bedoeld in artikel 3:2 van Pro de Awb.
6.ABRvS 24 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2289, r.o. 7.3-7.4.
7.ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986.
8.ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.