Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13757

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL26.17974
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000DublinverordeningEVRMVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Zwitserland

Eiser diende op 9 december 2025 een asielaanvraag in bij de Nederlandse minister van Asiel en Migratie. De minister nam de aanvraag op 30 maart 2026 niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat overdracht aan Zwitserland zou leiden tot indirect refoulement, omdat Zwitserland hem mogelijk naar Eritrea zou terugsturen. De rechtbank stelde vast dat zij niet mag toetsen of er een risico op indirect refoulement bestaat in de verantwoordelijke lidstaat, tenzij sprake is van systeemfouten in de asielprocedure.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen aanwijzingen waren voor systeemfouten in Zwitserland. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en kreeg eiser geen proceskostenvergoeding.

De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier I.S. Pruijn op 26 mei 2026. Partijen konden binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Zwitserland verantwoordelijk is en er geen systeemfouten zijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17974

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 december 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
Is een overdracht in strijd met het verbod op indirect refoulement?
4. Eiser voert aan dat hij bij overdracht aan Zwitserland een risico loopt op indirect refoulement, omdat Zwitserland hem terug wil sturen naar Eritrea. Ter onderbouwing heeft hij een document overgelegd waaruit blijkt dat zijn asielaanvraag in Zwitserland is afgewezen.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraken van het Hof van Justitie [3] en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [4] volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. De rechtbank is van oordeel dat de minister voor Zwitserland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [5] Dit wordt door eiser ook niet betwist. Dit houdt in dat de minister erop mag vertrouwen dat de Zwitserse autoriteiten eiser in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Om die reden mag de rechtbank niet onderzoeken of overdracht aan Zwitserland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
4.ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
5.Zie ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.