Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13767

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL26.15394 en NL26.15395
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 3 CATArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser, met Oekraïense nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op Frankrijk vanwege vermeende systeemfouten en schendingen van mensenrechten, onderbouwd met diverse rapporten en persoonlijke ervaringen. Hij stelde dat de opvang in Frankrijk onvoldoende is en dat hij geen toegang had tot adequate voorzieningen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt. De aangevoerde landeninformatie en persoonlijke omstandigheden rechtvaardigen geen andere conclusie. Verweerder hoefde artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet toe te passen omdat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die een overdracht aan Frankrijk onredelijk maken.

Het beroep is daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.15394 en NL26.15395
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M. Issa),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Oekraïense nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1997 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Allereerst verzoekt eiser hetgeen hij in eerdere procedures naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd op het standpunt van eiser dat hij bij overdracht naar Frankrijk moet vrezen voor systeemfouten die leiden tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM [2] , artikel 4 van Pro het Handvest [3] en artikel 3 CAT Pro. [4] Eiser meent dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat Frankrijk zich niet houdt aan de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn. Eiser voert verder aan dat hij geen woning in Frankrijk had en geen recht had om te gaan werken. Er was te weinig eten en de voedselkwaliteit was laag. Daarnaast had hij geen toegang tot medische hulp, nadat het na één jaar werd stopgezet. Ter onderbouwing van eisers stellingen verwijst hij naar het AIDA-rapport update 2024, mailwisseling VWN met ELENA-coördinator van 11 augustus 2021 en rapporten van Amnesty International van 29 april 2025, Human Rights Watch van 16 januari 2025 en US Department of State van 23 april 2024. Eiser is van mening dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de door eiser aangevoerde landeninformatie en waarom verweerder eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet aan zich hoeft te trekken. Verder stelt eiser dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd en zorgvuldig heeft onderzocht waarom er geen sprake is van een concreet aanknopingspunt voor een structurele tekortkoming in de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Frankrijk. Eiser is van mening dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij moet klagen bij de Franse autoriteiten. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraken van rechtbank Den Haag [5] en het Hof van Justitie van de Europese Unie. [6]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Herhaald en ingelast
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat er bij Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De Afdeling [7] heeft in haar uitspraken van 30 augustus 2024 [8] en 31 juli 2025 [9] geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 juli 2025 ook het AIDA-rapport (update 2024) betrokken. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde landeninformatie geen grond anders te oordelen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding eiser te volgen in zijn betoog dat verweerder voor Frankrijk ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Met betrekking tot de stellingen van eiser over de opvangvoorzieningen en zijn eigen ervaringen in Frankrijk, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in het asielsysteem in Frankrijk. Mocht eiser toch problemen ervaren met bijvoorbeeld de opvang in Frankrijk, dan stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat het op de weg van eiser ligt om daarover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen, of dat klagen bij voorbaat geen zin zal hebben.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder in redelijkheid geen toepassing hoeven geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. De aangevoerde omstandigheden hebben betrekking op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Eisers persoonlijke ervaringen in Frankrijk zijn daarnaast al door verweerder in de besluitvorming betrokken bij de beoordeling of nog mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder dezelfde persoonlijke ervaringen in dat geval niet nogmaals hoeft te toetsen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [10] Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waardoor verweerder de asielaanvraag van eiser aan zich moet trekken. Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [11] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing.
5.Zie de uitspraken van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 8 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6212 en zittingsplaats Groningen van 12 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:424.
6.Zie de uitspraak van het Hof van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367.
7.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717 en 7 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1250.
11.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.