Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de maatregel van bewaring van een vreemdeling met de Nigeriaanse nationaliteit. De rechtbank heeft de maatregel van bewaring eerder getoetst op 24 oktober 2025 en vastgesteld dat deze rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek. De minister van Asiel en Migratie had op 25 april 2025 de maatregel van bewaring opgelegd, die nog steeds van kracht was. De rechtbank ontving op 24 december 2025 een vervolgkennisgeving van de minister, waarin werd verzocht om te beoordelen of de bewaring kon voortduren, aangezien er meer dan 75 dagen waren verstreken sinds het indienen van het beroep tegen de maatregel.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in het uitzettingsproces. De minister heeft maandelijks contact met de Nigeriaanse autoriteiten en houdt regelmatig vertrekgesprekken met de eiser. De rechtbank oordeelde dat er geen reden was om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Nigeria ontbreekt, aangezien er een aanvraag voor een laissez-passer was ingediend en de Nigeriaanse autoriteiten deze aanvraag niet hadden afgewezen.
Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van de eiser ongegrond verklaard, wat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open, zoals vermeld in artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000.