ECLI:NL:RBDHA:2026:138

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63299
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van vreemdeling met Nigeriaanse nationaliteit en voortvarendheid van de minister in het uitzettingsproces

Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de maatregel van bewaring van een vreemdeling met de Nigeriaanse nationaliteit. De rechtbank heeft de maatregel van bewaring eerder getoetst op 24 oktober 2025 en vastgesteld dat deze rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek. De minister van Asiel en Migratie had op 25 april 2025 de maatregel van bewaring opgelegd, die nog steeds van kracht was. De rechtbank ontving op 24 december 2025 een vervolgkennisgeving van de minister, waarin werd verzocht om te beoordelen of de bewaring kon voortduren, aangezien er meer dan 75 dagen waren verstreken sinds het indienen van het beroep tegen de maatregel.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in het uitzettingsproces. De minister heeft maandelijks contact met de Nigeriaanse autoriteiten en houdt regelmatig vertrekgesprekken met de eiser. De rechtbank oordeelde dat er geen reden was om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Nigeria ontbreekt, aangezien er een aanvraag voor een laissez-passer was ingediend en de Nigeriaanse autoriteiten deze aanvraag niet hadden afgewezen.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van de eiser ongegrond verklaard, wat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open, zoals vermeld in artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63299

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie

Procesverloop

1. De minister heeft op 25 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst op 24 oktober 2025. [2]
1.2.
De minister heeft de rechtbank op 24 december 2025 laten weten dat het langer dan 75 dagen geleden is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de minister verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de vervolgkennisgeving). Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op die voortgangsrapportage gereageerd.
1.3.
De rechtbank merkt de vervolgkennisgeving aan als een beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zodra de rechtbank de (eerste) kennisgeving heeft ontvangen. Omdat de vervolgkennisgeving (nog) niet in de Nederlandse wet- of regelgeving is opgenomen, past de rechtbank deze regel op overeenkomstige wijze toe op de vervolgkennisgeving.
1.4.
De rechtbank heeft op 31 december 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [3]
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. Dat heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Het is maar de vraag of een derde presentatie bij de Nigeriaanse vertegenwoordiging wordt ingepland nu dit verder niet blijkt uit het dossier.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. De minister rappelleert namelijk maandelijks bij de Nigeriaanse autoriteiten. De laatste keer was dit op 17 december 2025. Ook houdt de minister maandelijks een vertrekgesprek met eiser, waarvan de laatste keer op 23 december 2025 was. Dat op dit moment nog onduidelijk is wanneer een derde presentatie wordt ingepland, leidt niet tot een ander oordeel. Het maandelijks rappelleren en het houden van een vertrekgesprek is namelijk al voldoende om te kunnen spreken van voortvarend handelen.
Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Nigeria?
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Nigeria ontbreekt. De vorige maatregel van bewaring heeft er ook niet voor gezorgd dat eiser is uitgezet naar Nigeria.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen het zicht op uitzetting naar Nigeria niet ontbreekt. [4] Er is ook geen aanleiding om te oordelen dat dit in het geval van eiser anders is. Uit de stukken blijkt dat op 13 oktober 2025 een aanvraag is gedaan om een laissez-passer. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen. De Nigeriaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven de laissez-passer aanvraag niet in behandeling te nemen. Bovendien kan eiser deze procedure bespoedigen door identificerende documenten aan te leveren. Verder is van belang om op te merken dat de eerdere maatregelen van bewaring niet zijn opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting. Daarop is al gewezen in de uitspraak van 24 oktober 2025. Dat de eerdere maatregel niet heeft geleid tot een uitzetting, betekent niet dat deze maatregel ook niet zal leiden tot een uitzetting.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 24 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19478.
3.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
4.Zie ABRvS 20 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2707 en 27 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2418.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (