Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13801

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
NL25.50946
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 3, tweede lid, Dublinverordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen kennelijk ongegrondverklaring asielberoep op grond van Dublinverordening afgewezen

Opposant, een Turkse asielzoeker, diende op 14 april 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Zwitserland verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 12 november 2025 kennelijk ongegrond, waarbij werd aangenomen dat Zwitserland adequaat zal zorgen voor opposant en dat zijn medische klachten niet voldoende waren onderbouwd.

Opposant maakte bezwaar tegen deze uitspraak en voerde aan dat zijn psychische kwetsbaarheid, littekens en eerdere mishandeling onvoldoende zijn meegewogen. Ook stelde hij dat de rechtbank niet had onderzocht of overdracht naar Zwitserland tot verslechtering van zijn gezondheid zou leiden en dat hij in Zwitserland dreiging tot uitzetting naar Turkije ondervond.

De rechtbank oordeelde dat de verzetsprocedure geen inhoudelijke herbeoordeling is, maar slechts toetst of het beroep terecht kennelijk ongegrond is verklaard. Opposant slaagde er niet in nieuwe feiten of omstandigheden aan te tonen die twijfel over de uitkomst rechtvaardigen. De rechtbank bevestigde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat de bewijslast bij opposant ligt. Zijn medische klachten waren onvoldoende onderbouwd en er was geen aannemelijk risico op achteruitgang van zijn gezondheid.

De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en handhaafde de uitspraak van 12 november 2025. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de kennelijk ongegrondverklaring van het asielberoep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50946 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant] , opposant

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 november 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In de uitspraak van 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21492, heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op het verzet met toepassing van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb, aangezien opposant heeft meegedeeld dat een zitting achterwege kan blijven.

Beoordeling door de rechtbank

1. Opposant stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 14 april 2025 asiel aangevraagd in Nederland. In het besluit van 17 oktober 2025 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Zwitserland daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
2. In de uitspraak van 12 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door opposant ingestelde beroep kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van Zwitserland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Zwitserland sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat opposant zijn gestelde medische klachten niet heeft onderbouwd, zodat verweerder terecht heeft overwogen dat hij niet bijzonder kwetsbaar is. Volgens de rechtbank is het dan ook niet aannemelijk dat eiser zonder aanvullende garanties in Zwitserland niet de zorg kan krijgen die hij nodig heeft.
3. Opposant is het niet eens met deze uitspraak. Hij voert aan dat de rechtbank zijn verklaringen over mishandeling, vernedering en de druk om naar Turkije terug te keren, alsmede de door hem getoonde littekens, niet kenbaar heeft betrokken bij de overwegingen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook heeft de rechtbank volgens opposant ten onrechte aangenomen dat hij niet bijzonder kwetsbaar is, aangezien hij psychisch instabiel is, littekens heeft, geweld heeft ondervonden en duidelijke tekenen van ontregeling vertoont. Verder heeft de rechtbank niet onderzocht of overdracht tot een verslechtering van zijn gezondheidstoestand leidt. Ten slotte heeft de rechtbank niet onderkend dat de Zwitserse autoriteiten hebben gedreigd om hem naar Turkije uit te zetten, waar hij gevaar loopt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De verzetsprocedure is geen hernieuwde inhoudelijk behandeling van het beroep. In een verzetsprocedure kan uitsluitend worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze procedure beperkt is tot de vraag of buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is, en dat uitspraak op het beroep van opposant kon worden gedaan zonder hem op een zitting te horen. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
5. Van dergelijke argumenten is in dit geval geen sprake. Opposant heeft in verzet niet alsnog aannemelijk gemaakt dat er in Zwitserland sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. Ook heeft hij niet alsnog zijn gestelde medische klachten onderbouwd. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat het oordeel in de uitspraak van 12 november 2025 dat er vanuit moet worden gegaan dat opposant na overdracht aan Zwitserland adequaat zal worden behandeld niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft daarbij gelet op artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening terecht overwogen dat de bewijslast bij opposant ligt. Zijn verklaringen over eerdere ervaringen in Zwitserland zijn onvoldoende, omdat opposant op dat moment niet gereguleerd en op basis van een expliciet terugnameakkoord in Zwitserland was. Zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen, is een dergelijk akkoord inmiddels aanwezig.
6. Nu opposant zijn gestelde medische klachten niet heeft onderbouwd, is er ook geen aanleiding om aan te nemen dat overdracht als zodanig zal leiden tot achteruitgang van zijn gezondheidssituatie.
7. Als niet aannemelijk is dat in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen, kan de overdragende lidstaat niet toetsen of de overdracht gevolgd wordt door een uitzetting naar een land waar de betrokkene een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359. Het ligt op de weg van opposant om hierover in de verantwoordelijke lidstaat rechtsmiddelen in te dienen. Opposant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is. De enkele verklaring dat er bij een eerder verblijf in Zwitserland zou zijn gedreigd met uitzetting is daartoe, gelet op wat hiervoor al is overwogen, onvoldoende.
8. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 12 november 2025 blijft in stand.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 mei 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.