ECLI:NL:RBDHA:2026:13801
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen kennelijk ongegrondverklaring asielberoep op grond van Dublinverordening afgewezen
Opposant, een Turkse asielzoeker, diende op 14 april 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Zwitserland verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 12 november 2025 kennelijk ongegrond, waarbij werd aangenomen dat Zwitserland adequaat zal zorgen voor opposant en dat zijn medische klachten niet voldoende waren onderbouwd.
Opposant maakte bezwaar tegen deze uitspraak en voerde aan dat zijn psychische kwetsbaarheid, littekens en eerdere mishandeling onvoldoende zijn meegewogen. Ook stelde hij dat de rechtbank niet had onderzocht of overdracht naar Zwitserland tot verslechtering van zijn gezondheid zou leiden en dat hij in Zwitserland dreiging tot uitzetting naar Turkije ondervond.
De rechtbank oordeelde dat de verzetsprocedure geen inhoudelijke herbeoordeling is, maar slechts toetst of het beroep terecht kennelijk ongegrond is verklaard. Opposant slaagde er niet in nieuwe feiten of omstandigheden aan te tonen die twijfel over de uitkomst rechtvaardigen. De rechtbank bevestigde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat de bewijslast bij opposant ligt. Zijn medische klachten waren onvoldoende onderbouwd en er was geen aannemelijk risico op achteruitgang van zijn gezondheid.
De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en handhaafde de uitspraak van 12 november 2025. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet tegen de kennelijk ongegrondverklaring van het asielberoep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.