ECLI:NL:RBDHA:2026:1417

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL24.37904
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op grond van gezinsleven met betrekking tot L. Ghebreyesus

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij L. Ghebreyesus’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing en voert verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing en komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht als reguliere aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM heeft beoordeeld, en niet als nareisaanvraag. De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat er geen hechte en persoonlijke banden zijn aangetoond tussen eiseres en referente. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen referente te horen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank legt uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft voor de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37904

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht als reguliere aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM [1] heeft beoordeeld, en niet als nareisaanvraag. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referente, omdat niet is gebleken van hechte en persoonlijke banden tussen hen. Tot slot overweegt de rechtbank dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen referente te horen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 5 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij haar zus [referente] (referente) ingediend.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 24 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 september 2024 heeft verweerder het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben referente, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is de achtergrond van deze zaak?
3. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [datum] 2005. Zij verblijft op dit moment nog in Eritrea. Referente heeft ook de Eritrese nationaliteit en is in oktober 2017 naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging. Na de echtscheiding met haar partner in mei 2020 is referente op 9 oktober 2020 in het bezit gesteld van een zelfstandige asielvergunning. Op 5 januari 2022 heeft referente namens eiseres een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ’ op grond van artikel 8 van het EVRM. Referente heeft in het gehoor verklaard dat zij vanaf haar 15e voor eiseres heeft gezorgd en dat eiseres er, sinds referente weg is uit Eritrea, alleen voor staat.
Wat heeft verweerder besloten?
4. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen. Er is volgens verweerder geen sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Er bestaan geen hechte en persoonlijke banden tussen eiseres en referente die de gebruikelijke omgang tussen zussen overstijgen. Dat eiseres en referente hebben samengewoond vanaf 2005 tot en met januari 2015 maakt niet dat er sprake is van hechte en persoonlijke banden. Verweerder betrekt hierbij dat op het moment van de aanvraag referente al zeven jaar niet met haar zusje heeft samengewoond. Verweerder vindt het wel aannemelijk dat referente primair verantwoordelijk was voor de fysieke en praktische verzorging van eiseres na het overlijden van hun moeder in 2011, maar niet dat deze verantwoordelijkheid strekte tot het financieel onderhouden van eiseres. Daar was de vader van referente en eiseres primair verantwoordelijk voor. Ook waren er periodes dat referente de zorg voor eiseres deelde met haar twee oudere zussen. Dit duidt erop dat referente niet alle taken van een primaire zorgdrager op zich heeft genomen. Dat referente op dit moment geld stuurt naar haar zus maakt niet dat er sprake is van hechte persoonlijke banden. Verweerder betrekt hierbij dat referente heeft verklaard dat zij niet de enige is die eiseres geld stuurt, en uit haar verklaringen niet blijkt dat eiseres specifiek afhankelijk is van het geld dat referente stuurt. Omdat referente in haar asielprocedure heeft verklaard dat zij Eritrea moest verlaten om problemen met de dienstplicht te voorkomen, weegt verweerder het niet zwaar mee dat referente tussen het vertrek uit Eritrea en de aankomst in Nederland niet voor eiseres heeft kunnen zorgen. Dit was namelijk het gevolg was van een onvrijwillig vertrek. Verweerder weegt wel zwaar mee dat referente na aankomst in Nederland nog vier jaar heeft gewacht met het indienen van een aanvraag voor eiseres. Dit duidt niet op hechte persoonlijke banden. Verweerder heeft in het primaire besluit ook nog een belangenafweging gemaakt, die in het nadeel van eiseres uitvalt.
4.1.
In het bestreden besluit blijft verweerder grotendeels bij zijn standpunt uit het primaire besluit. Verweerder heeft zich nog wel aanvullend op het standpunt gesteld dat hij in het primaire besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiseres als pleegkind had moeten worden aangemerkt. Er is volgens verweerder echter geen sprake van een gezinsband op grond van een pleegzorgrelatie. Verder stelt verweerder zich nog op het standpunt dat hij geen belangenafweging hoeft te maken, gelet op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [2] .
Wat voert eiseres aan in beroep?
5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit niet rechtmatig tot stand is gekomen, omdat het onbevoegd is ondertekend. Eiseres voert verder aan dat de aanvraag als nareisaanvraag behandeld had moeten worden in plaats van als aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM. De relatie met referente is volgens eiseres zeer vergelijkbaar met die van ouders met kinderen, nu referente als een moeder voor eiseres heeft gezorgd. Eiseres heeft met referente aanvankelijk tijdelijk bij hun oudere zus gewoond, maar zij voelden zich daar niet veilig vanwege de gewelddadige echtgenoot van de zus en zijn er daarom weggegaan. Dat eiseres met referente is weggegaan, geeft aan dat referente de feitelijk zorg over eiseres droeg. Dat de oudere zus na het vertrek van referente weer enig toezicht en zorg heeft geboden en dat eiseres na het vertrek van referente een tijd bij haar oudere zus heeft gewoond, laat volgens eiseres onverlet dat er op het moment dat referente het land moest verlaten sprake was van gezinsleven tussen eiseres en referente. Eiseres en referente menen dat het gezinsleven door de vlucht van referente is verbroken en dat het recht op gezinsherenging daarop ziet. Het is vergelijkbaar met de situatie van een ouder die kinderen moet achterlaten bij de vlucht. Als er dan iemand anders voor die kinderen gaat zorgen, wordt door verweerder ook niet geoordeeld dat de gezinsband met de ouders is verbroken. De omstandigheid dat referente later dan drie maanden na het verkrijgen van een zelfstandige verblijfsvergunning heeft verzocht om gezinshereniging in het kader van nareis, maakt dan ook niet dat hiervan geen sprake meer zou zijn en dat dan aan de maatstaf van artikel 8 van het EVRM en “hechte persoonlijke banden” zou moeten worden voldaan. Eiseres voert verder aan dat verweerder haar in een nadelige positie heeft gebracht door zeer lang over de beslissing te doen. Eiseres is immers steeds ouder geworden, waardoor verweerder meer zelfstandigheid van eiseres aanneemt of verlangt. Eiseres voert tot slot aan dat het onzorgvuldig is dat enkel referente is gehoord en niet eiseres zelf. Als eiseres zelf gehoord zou zijn zou verweerder een duidelijker beeld hebben gekregen van de afhankelijkheid van eiseres van referente.
Heeft verweerder het bestreden besluit onbevoegd ondertekend?
6. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit van 6 september 2024 ten onrechte is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Terecht heeft eiseres aangevoerd dat met ingang van 2 juli 2024 de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht is gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. Er is dan ook een gebrek in het bestreden besluit. De rechtbank is echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2007 [3] , van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beschikking is namelijk ondertekend door een ambtenaar die daartoe bevoegd was. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres door de onjuiste ondertekening in haar belangen is geschaad.
Heeft verweerder het juiste beleid toegepast bij het beoordelen van de aanvraag?
7. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat referente het formulier ‘aanvraag voor het verblijfsdoel familie en gezin’ heeft ingediend en geen aanvraag heeft ingediend voor een mvv in het kader van nareis. Ten aanzien van de stelling dat verweerder de aanvraag wel als nareisaanvraag had moeten aanmerken, heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet binnen de zogenaamde drie-maanden termijn is ingediend en daar geen verschoonbare reden voor is. Daarom kan de aanvraag niet gelden als nareisaanvraag zoals bedoeld in artikel 29 lid 2, sub a, b of c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
7.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat referente niet binnen drie maanden na het verkrijgen van zelfstandige asielvergunning de onderhavige aanvraag heeft ingediend. De vraag ligt voor of referente een verschoonbare reden heeft voor de termijnoverschrijding. De Afdeling heeft hierover overwogen dat de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding geen belangenafweging is, maar dat wordt beoordeeld of de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid aan de betrokkene kan worden toegerekend. [4] Een termijnoverschrijding kan bijvoorbeeld verschoonbaar zijn als deze het gevolg is van een fout van het desbetreffende bestuursorgaan of als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij het besluit, waartegen hij binnen een bepaalde termijn had moeten opkomen, niet heeft ontvangen. Fouten van een gemachtigde zijn in de regel geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dat referente zich na het verkrijgen van haar asielstatus direct tot Vluchtelingenwerk heeft gewend, maar dat referente stelt dat Vluchtelingenwerk de aanvraag niet als kansrijk heeft beoordeeld en daarom de termijn niet heeft veilig is gesteld, is in dit geval geen omstandigheid op grond waarvan de termijnoverschrijding niet in redelijkheid aan referente kan worden toegerekend. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt kunnen stellen dat de tijdige indiening van de aanvraag de eigen verantwoordelijkheid van referente is. Fouten van een door een referent ingeschakelde gemachtigde of hulppersoon, zoals Vluchtelingenwerk, zijn in de regel immers geen reden om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht niet als nareisaanvraag, maar als reguliere aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM heeft beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en referente?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referente, omdat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en referente op het peilmoment, namelijk de beslissing op de aanvraag. Op het peilmoment leefden eiseres en referente al een lange tijd niet meer samen in gezinsverband. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat referente in Eritrea na het overlijden van haar moeder doorgaans de primaire zorg voor eiseres droeg en dat zij die zorg ook deelde met haar twee andere oudere zussen. Referente heeft in 2014 een begin gemaakt met het vormen van een eigen gezin en is in 2015 samen met haar echtgenoot vertrokken uit Eritrea. De oudere zus van referente ([naam]) heeft hierna de zorg voor eiseres op zich genomen. Dit volgt uit de verklaringen van referente [5] . Verweerder heeft bij de beoordeling van de hechte en persoonlijke banden tussen eiseres en referente dan ook mogen betrekken dat referente al meer dan zeven jaar niet meer verantwoordelijk is voor de fysieke en praktische zorg voor eiseres. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat met het telefonisch contact tussen referente en eiseres en de omstandigheid dat referente haar soms geld stuurt, geen sprake is van banden die de gebruikelijke omgang overstijgen. Het beroep van eiseres ter zitting op het arrest E. tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie [6] ,treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel treft. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht niet als nareisaanvraag heeft beoordeeld. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met de concrete situatie waarin eiseres en referente zich bevinden en de bijzondere problemen waarmee zij worden geconfronteerd alsmede de situatie in het land van herkomst. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door eiseres niet te horen?
9. De rechtbank is van oordeel dat het niet horen van eiseres het bestreden besluit niet onzorgvuldig maakt. De rechtbank betrekt hierbij dat referente is gehoord in de bezwaarfase. Het bezwaar is ook niet afgedaan als kennelijk ongegrond. De stelling van eiseres dat zij in een gehoor haar eigen verhaal had kunnen doen is, zonder verdere concretisering, onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek Er is niet gebleken welke feiten en omstandigheden verweerder alsnog had moeten betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van haar aanvraag in stand blijft. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet verweerder het griffierecht van eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 187,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie hiervoor de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:1188.
4.Zie hiervoor de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609 en 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4275.
5.Zie hiervoor de verklaringen op pagina 8 van het gehoor met referente van 10 februari 2023.
6.Arrest van 13 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:192.