ECLI:NL:RBDHA:2026:1447
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 september 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel duurt voort en is eerder door de rechtbank getoetst, waarbij de rechtmatigheid tot 16 december 2025 is vastgesteld.
Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij zijn uitzetting, met name omdat een kopie van zijn paspoort pas op 19 december 2025 aan de Marokkaanse autoriteiten is gestuurd. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door meerdere rappels en het voeren van een vertrekgesprek, evenals het leggen van contact met Spaanse autoriteiten.
De rechtbank acht de duur van de bewaring van iets meer dan vier maanden niet zodanig lang dat extra maatregelen noodzakelijk zijn. Het verzoek van eiser om de kopie van het paspoort aan het dossier toe te voegen wordt afgewezen omdat dit niet relevant is voor het oordeel.
De ambtshalve toets leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeert dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel wordt voldaan en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.