ECLI:NL:RBDHA:2026:1447

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2961
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 september 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel duurt voort en is eerder door de rechtbank getoetst, waarbij de rechtmatigheid tot 16 december 2025 is vastgesteld.

Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij zijn uitzetting, met name omdat een kopie van zijn paspoort pas op 19 december 2025 aan de Marokkaanse autoriteiten is gestuurd. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door meerdere rappels en het voeren van een vertrekgesprek, evenals het leggen van contact met Spaanse autoriteiten.

De rechtbank acht de duur van de bewaring van iets meer dan vier maanden niet zodanig lang dat extra maatregelen noodzakelijk zijn. Het verzoek van eiser om de kopie van het paspoort aan het dossier toe te voegen wordt afgewezen omdat dit niet relevant is voor het oordeel.

De ambtshalve toets leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeert dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel wordt voldaan en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2961

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 19 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 10 oktober 2025. [1] De rechtbank heeft bij uitspraak van 14 november 2025 beslist op het eerste vervolgberoep [2] en in het tweede vervolgberoep is op 15 december 2025 uitspraak gedaan. [3]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 23 januari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [4]

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 16 december 2025.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Uit het vertrekgesprek van 22 december 2025 blijkt namelijk dat op 19 december 2025 een kopie van het paspoort van eiser aan de Marokkaanse autoriteiten is gestuurd. Gelet hierop, en de lange duur van bewaring, lag het op de weg van de minister om het dossier van eiser onder de speciale aandacht van de autoriteiten van Marokko te brengen. Daarnaast verzoekt eiser aan de rechtbank om de minister op te dragen de kopie van zijn paspoort aan het dossier toe te voegen dan wel aan eiser te verstrekken.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door op 17 december 2025 en 8 januari 2026 schriftelijk te rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten op de status van de aanvraag om een laissez-passer (lp) en het voeren van een vertrekgesprek op 22 december 2025. Daarbij komt dat de minister, zoals blijkt uit dat vertrekgesprek, contact heeft gelegd met de Spaanse autoriteiten om een kopie van het paspoort van eiser te verkrijgen. Ook hiermee werkt de minister voortvarend aan de uitzetting van eiser. Dat deze kopie iets meer dan een maand geleden aan de Marokkaanse autoriteiten is doorgestuurd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister de lp-aanvraag van eiser onder de speciale aandacht van de autoriteiten van Marokko had hoeven brengen. De kopie is namelijk slechts iets meer dan een maand geleden doorgestuurd en de Marokkaanse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om hierop te reageren. Daarnaast acht de rechtbank de inbewaringstelling van eiser, van iets meer dan vier maanden, ook nog niet zodanig lang dat de minister gelet daarop de lp-aanvraag van eiser onder de speciale aandacht had moeten brengen. Met betrekking tot het verzoek van eiser het volgende. De rechtbank acht het voor haar oordeel niet nodig om de kopie van het paspoort aan het dossier te laten toevoegen. Het is namelijk niet in geschil dat de kopie er is en dat deze aan de Marokkaanse autoriteiten is gestuurd. Verder ligt het op de weg van eiser om contact op te nemen met de minister als hij de kopie graag wil zien. De rechtbank heeft hierin geen faciliterende rol.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 10 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18697.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 14 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21518.
3.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 22 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24753.
4.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
5.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).