Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een derdelander uit Oekraïne die tijdelijk bescherming genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister van Asiel en Migratie legde meerdere terugkeerbesluiten op nadat de tijdelijke bescherming was beëindigd. Eiser betwistte deze besluiten en stelde dat het terugkeerbesluit prematuur was en dat zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling was gesteld.
De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 niet prematuur is omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 rechtmatig is beëindigd, hetgeen bevestigd is door het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De bevriezingsmaatregel tot 4 september 2025 verlengt de tijdelijke bescherming niet, maar is slechts een opschorting van het beëindigingsmoment.
Verder is vastgesteld dat het besluit tot buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag formeel vaststaat, omdat eiser hiertegen geen beroep heeft ingesteld. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk is en het beroep tegen het besluit van 28 juli 2025 ongegrond. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- wegens de intrekking van het eerdere besluit.