Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14481

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL24.16676
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 3 lid 2 Richtlijn 2008/115/EGRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822Art. 5 Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en buitenbehandelingstelling asielaanvraag van een derdelander uit Oekraïne

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een derdelander uit Oekraïne die tijdelijk bescherming genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister van Asiel en Migratie legde meerdere terugkeerbesluiten op nadat de tijdelijke bescherming was beëindigd. Eiser betwistte deze besluiten en stelde dat het terugkeerbesluit prematuur was en dat zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling was gesteld.

De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 niet prematuur is omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 rechtmatig is beëindigd, hetgeen bevestigd is door het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De bevriezingsmaatregel tot 4 september 2025 verlengt de tijdelijke bescherming niet, maar is slechts een opschorting van het beëindigingsmoment.

Verder is vastgesteld dat het besluit tot buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag formeel vaststaat, omdat eiser hiertegen geen beroep heeft ingesteld. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk is en het beroep tegen het besluit van 28 juli 2025 ongegrond. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- wegens de intrekking van het eerdere besluit.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 is ongegrond en het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk; de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.16676
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: E. de Bonth).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 28 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Kameroense nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 23 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
vervolgens het besluit van 23 augustus 2023 ingetrokken, omdat deze onrechtmatig was opgelegd.3
5. Op 21 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
6. Bij uitspraak van 18 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek met zaaknummer NL24.16677 toegewezen in die zin dat eiser dient te worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing is, totdat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 geschorst.
7. Op 28 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan hem een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken4 en vervangen met het bestreden besluit van 28 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn – met kennisgeving voorafgaand aan de zitting – niet verschenen. Ook de gemachtigde van de minister heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
9. Het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 21 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft het beroep daarom ook betrekking op dit laatste terugkeerbesluit.
10. Omdat de minister het besluit van 21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van
21 februari 2024. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 18.
3 Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
4 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Het standpunt van eiser
11. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 prematuur is opgelegd, omdat er nog een beroepsprocedure loopt tegen het eerder opgelegde terugkeerbesluit, er een voorlopige voorziening is toegewezen, en hij nog onder de bevriezingsmaatregel valt. Om die redenen is het verblijf van eiser in Nederland niet aan te merken als illegaal als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). Daarnaast stelt eiser dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 mei 2025.5 Ook daarom kan het verblijf van eiser in Nederland niet worden aangemerkt als illegaal. Daarbij komt dat de minister volgens eiser heeft nagelaten om hem een asieladvocaat toe te wijzen op het moment van het voornemen om de asielaanvraag buiten behandeling te stellen.

Het oordeel van de rechtbank

Is het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 prematuur?
12. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 20246 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
12. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 echter niet prematuur. Uit voormeld arrest van het Hof van 19 december 2024 volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraak van 23 april 2025.7 Het verblijf van eiser was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar slechts dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting. Hetgeen eiser verder hierover heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Buitenbehandelingstelling asielaanvraag

14. Het gegeven dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 23 augustus
2023 buiten behandeling is gesteld en het beroep op de Afdelingsuitspraak van 7 mei 2025, staat niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg. Eiser heeft namelijk geen
6 ECLI:EU:C:2024:38
beroep ingesteld tegen het besluit waarin zijn asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, zodat dit besluit in rechte vast staat. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan van die formele rechtskracht worden afgeweken. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Hierbij overweegt de rechtbank nog dat eiser in het voornemen tot buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag uitdrukkelijk is gewezen op zijn recht op gratis rechtsbijstand. De beroepsgrond slaagt niet.
Refoulementbeoordeling
15. Ten slotte is de rechtbank gehouden om op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn ambtshalve te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. In het voornemen van 4 juni 2025 tot het opleggen van het terugkeerbesluit is eiser uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.8 Dergelijke omstandigheden zijn in bezwaar noch in beroep aangevoerd en ook overigens zijn die naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024, is niet-ontvankelijk.
17. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 28 juli 2025, is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
18. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht is tegen het besluit van 21 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juli 2025 ongegrond; en
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.