Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL25.12104
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens Zuid-Afrikaanse nationaliteit

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 februari 2025 waarbij zijn asielaanvraag werd afgewezen wegens zijn Zuid-Afrikaanse nationaliteit. De rechtbank behandelde de zaak op 18 december 2025 en deed op 27 januari 2026 een tussenuitspraak waarin een gebrek in het besluit werd vastgesteld. Verweerder kreeg de gelegenheid dit te herstellen en heeft aanvullend onderzoek laten uitvoeren door de Koninklijke Marechaussee.

Eiser had betoogd dat zijn Zuid-Afrikaanse paspoort frauduleus was verkregen en dat zijn vingerafdrukken afweken van die op het paspoort. Verweerder stelde dat het paspoort geen biometrisch paspoort is en geen vingerafdrukken bevat. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij alles had gedaan om de frauduleuze verkrijging te bewijzen en dat verweerder het gebrek had hersteld met het aanvullende onderzoek.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand omdat het onderzoek het gebrek had opgeheven. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser. De rechtbank wees erop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat het paspoort frauduleus is verkregen en dat nader onderzoek naar handtekeningen niet noodzakelijk is.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12104

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van verweerder van 14 februari 2025 waarbij eisers asielaanvraag is afgewezen als ongegrond (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is
verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder
heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek in de
zaak gesloten.
Bij tussenuitspraak van 27 januari 2026 [1] heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft schriftelijk gereageerd op 12 en op 13 maart 2026. Daarbij heeft verweerder verwezen naar aanvullend onderzoek.
Eiser heeft hier op 4 mei 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft hierna bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Het onderzoek is op 8 mei 2026 opnieuw gesloten.

Overwegingen

Voor een volledige beschrijving van de feiten, de eerder ingenomen standpunten van partijen en de volledige overwegingen van de rechtbank naar aanleiding daarvan, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat verweerder bij de beoordeling van eisers asielaanvraag in beginsel mag uitgaan van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit van eiser en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat eiser het bij binnenkomst in Nederland getoonde Zuid-Afrikaanse paspoort frauduleus heeft verkregen. Verweerder heeft in het bestreden besluit echter ten onrechte geen aandacht besteed aan eisers verklaring in de zienswijze dat zijn vingerafdrukken afwijken van de vingerafdrukken zoals aanwezig op het Zuid-Afrikaanse paspoort. Daarbij heeft verweerder geen nader onderzoek verricht naar de aanwezigheid van eventuele biometrische gegevens van eiser op dit paspoort.
Verweerder heeft de rechtbank op 13 maart 2026 bericht dat uit alsnog uitgevoerd onderzoek van de Koninklijke Marechaussee is gebleken dat het paspoort van eiser geen biometrisch paspoort is, niet is voorzien van een chip en dat evenmin afbeeldingen van vingerafdrukken in het document zijn opgenomen. Eiser heeft in reactie hierop opgemerkt dat op het Zuid-Afrikaanse paspoort een andere handtekening staat dan zijn handtekening en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij die handtekeningen niet zou kunnen vergelijken. Daarnaast stelt eiser dat hij zich al meerdere keren tevergeefs heeft gewend tot de Zuid-Afrikaanse autoriteiten en dat het daarom nu op de weg van verweerder ligt om nader onderzoek te doen bij de Zuid-Afrikaanse autoriteiten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn verwijzing naar de bevindingen uit het onderzoek het gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld. Eiser heeft de bevindingen uit het onderzoek van de Koninklijke Marechaussee als zodanig niet bestreden. De rechtbank volgt niet eisers standpunt dat verweerder ook nader onderzoek zou moeten doen naar de handtekening op het paspoort. Het is in de eerste plaats aan eiser om aannemelijk te maken dat zijn Zuid-Afrikaanse paspoort frauduleus is verkregen. Anders dan bij biometrische gegevens, betreft een handtekening geen onveranderlijk persoonskenmerk waaruit aanstonds kan worden afgeleid aan wie het paspoort is verstrekt.
5. Evenmin ligt het nu op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen bij de Zuid-Afrikaanse autoriteiten omdat eiser in bewijsnood zou verkeren. Eiser heeft in beroep afschriften overgelegd van zijn e-mailcorrespondentie met de Zuid-Afrikaanse ambassade in Nederland tussen 19 februari en 3 maart 2025. Daarin vraagt eiser in eerste instantie om een afspraak ter verificatie van zijn Zuid-Afrikaanse nationaliteit, vervolgens geeft eiser aan afstand te willen doen van zijn Zuid-Afrikaans staatsburgerschap en als laatste stelt hij dat hij in het bezit is van een onrechtmatig verkregen Zuid-Afrikaans document. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aangetoond dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om de gestelde frauduleuze verkrijging van het Zuid-Afrikaanse paspoort aannemelijk te maken. Uit de door eiser verstrekte informatie blijkt bijvoorbeeld niet dat eiser na 3 maart 2026 nog heeft geprobeerd om een afspraak te maken met de vertegenwoordiging van de Zuid-Afrikaanse autoriteiten om zijn situatie nader toe te lichten.
6. Gelet hierop heeft verweerder eisers asielaanvraag terecht getoetst tegen de achtergrond van eisers Zuid-Afrikaanse nationaliteit en afgewezen als ongegrond.
7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het onderzoek van het door eiser overgelegde Zuid-Afrikaanse paspoort dit gebrek heeft hersteld. De rechtbank acht het niet nodig dat dit wordt vastgelegd in een nieuw te nemen besluit en zal daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.
8. De rechtbank ziet gelet op het gegronde beroep aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Verweerder moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt €1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.