Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 februari 2025 waarbij zijn asielaanvraag werd afgewezen wegens zijn Zuid-Afrikaanse nationaliteit. De rechtbank behandelde de zaak op 18 december 2025 en deed op 27 januari 2026 een tussenuitspraak waarin een gebrek in het besluit werd vastgesteld. Verweerder kreeg de gelegenheid dit te herstellen en heeft aanvullend onderzoek laten uitvoeren door de Koninklijke Marechaussee.
Eiser had betoogd dat zijn Zuid-Afrikaanse paspoort frauduleus was verkregen en dat zijn vingerafdrukken afweken van die op het paspoort. Verweerder stelde dat het paspoort geen biometrisch paspoort is en geen vingerafdrukken bevat. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij alles had gedaan om de frauduleuze verkrijging te bewijzen en dat verweerder het gebrek had hersteld met het aanvullende onderzoek.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand omdat het onderzoek het gebrek had opgeheven. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser. De rechtbank wees erop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat het paspoort frauduleus is verkregen en dat nader onderzoek naar handtekeningen niet noodzakelijk is.