ECLI:NL:RBDHA:2026:14519

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
12022668 \ RP VERZ 25-51048
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:14 BWArt. 2:15 BWArt. 2:10 BWArt. 5:126 BWArt. 5:129 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring en vernietiging van besluiten VvE over benoeming bestuurder en incassomandaat afgewezen

De zaak betreft een geschil tussen een lid van een Vereniging van Eigenaars (VvE) en de VvE zelf over besluiten genomen tijdens algemene ledenvergaderingen (ALV) in 2024 en 2025. De verzoeker, eigenaar van een appartementsrecht, vordert nietigverklaring en vernietiging van besluiten over de benoeming van een externe beheerder/bestuurder en het incassomandaat aan deze beheerder.

De rechtbank stelt vast dat het besluit tot benoeming van de externe beheerder als bestuurder op 28 mei 2024 rechtsgeldig is genomen, ondanks onzorgvuldige terminologie in de notulen. De inschrijving van deze bestuurder bij de Kamer van Koophandel is ten onrechte geschrapt en dient te worden hersteld. De latere bevestiging van dit besluit in de ALV van 17 november 2025 is slechts een verduidelijking en geen nieuw besluit.

De verzoeker stelt dat het incassomandaat en de vaststelling van additionele bijdragen nietig zijn wegens strijd met wet, splitsingsakte, modelreglement en redelijkheid en billijkheid. De rechtbank oordeelt dat de besluiten niet in strijd zijn met deze normen. De incassokostenregeling voldoet aan de wettelijke normen, en de financiële onderbouwing van de bijdragen is voldoende. De verzoeken tot vernietiging worden afgewezen.

De tegenverzoeken van de VvE worden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet door de bestuurder zelf zijn ingesteld. De verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten, evenals de VvE in het tegenverzoek. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot nietigverklaring en vernietiging van de besluiten van de VvE af en bevestigt de rechtsgeldigheid van de benoeming van de bestuurder en het incassomandaat.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JvdB/C/D
Zaaknummer: 12022668 \ RP VERZ 25-51048
Beschikking van 20 mei 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij in de zaak van het verzoek,
verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
procederend in persoon,
tegen

1.VERENIGING VAN EIGENAARS [partij B sub 1] ,

te [plaats] ,
procederend bij monde van haar leden [partij B sub 2 B] , [partij B sub 2 A] en [partij B sub 3] .
2. [partij B sub 2 A] EN [partij B sub 2 B] ,
te [woonplaats] ,
procederend in persoon,
3. [partij B sub 3] ,
te [woonplaats] ,
procederend in persoon,
verwerende partijen in de zaak van het verzoek,
verzoekende partijen in de zaak van het tegenverzoek,
hierna samen te noemen: de vve.

1.De procedure in de zaak van het verzoek en in de zaak van het tegenverzoek

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 15 december 2025, met producties 1 tot en met 5;
- het verweerschrift met tegenverzoek van de vve, ingekomen op 6 maart 2026, met producties 1 tot en met 8;
- een nader stuk inhoudende een reactie op het verweerschrift van de zijde van [partij A] , ingekomen op 7 april 2026;
- het aanvullend nader stuk van de zijde van [partij A] , ingekomen op 13 april 2026, met producties 9 tot en met 16.
1.2.
Op 23 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. [partij A] is niet verschenen. Namens de vve zijn dhr. [partij B sub 2 A] en mw. [partij B sub 2 B] en mw. [partij B sub 3] verschenen. Van hetgeen partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht, zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Deze aantekeningen bevinden zich in het procesdossier.
1.3.
De uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2.De feiten in de zaak van het verzoek en in de zaak van het tegenverzoek

2.1.
Bij notariële akte van 13 augustus 1980 is overgegaan tot splitsing in appartementsrechten van de portiekwoningen met erf en tuinen, staand en gelegen in Voorburg, plaatselijk bekend [adres 1] (hierna: de splitsingsakte).
2.2.
In de splitsingsakte is het pand in drie appartementsrechten gesplitst. Tegelijkertijd is de vereniging van eigenaars [partij B sub 1] opgericht. In de splitsingsakte is – voor zover hier relevant – als volgt bepaald:
“(…)
ad artikel 18, lid 6 : Dit lid wordt gelezen als volgt:
Indien een eigenaar niet binnen acht dagen na verloop van de in het vorige lid genoemde termijn het door hem verschuldigde aan de administrateur heeft voldaan, is hij daarover rente verschuldigd, gelijk aan het percentage van de dan geldende wettelijke rente vermeerderd met twee.
Artikel 27 is Pro wel van toepassing.
Bij gerechtsprocedures komen de kosten voor rekening van het betreffende lid. (…)”
2.3.
Het echtpaar [partij B sub 2] (hierna ook in enkelvoud aangeduid als: [partij B sub 2] ) is eigenaar van het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van (kort gezegd) de woning aan [adres 2] . [partij A] is eigenaar van het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de woning aan [adres 3] . [partij B sub 3] is eigenaar van het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de woning aan [adres 4] .
2.4.
Bij besluit van 26 januari 2018 heeft [partij B sub 2] ontslag genomen als bestuurder van de vve. Bij besluit van 12 april 2018 is [partij A] benoemd tot bestuurder en [partij B sub 3] tot plaatsvervangend bestuurder. Bij besluit van 7 februari 2023 is aan [partij A] ontslag verleend als bestuurder van de vve. [partij B sub 3] trad in zijn plaats.
2.5.
Op 30 april 2024 vond op initiatief van [partij B sub 3] een algemene ledenvergadering (ALV) van de vve plaats. Deze ALV is bij brief van 11 april 2024 aangekondigd. In de aankondiging staat vermeld dat besluitvorming zal worden gevraagd over (1) aanwijzing van een nieuw bestuur/nieuwe bestuursvorm en (2) de betaling en uitvoering van noodzakelijke werkzaamheden uit het meerjarenonderhoudsplan (MJOP). Tijdens deze ALV waren [partij B sub 2] en [partij B sub 3] aanwezig. Tijdens de vergadering zijn geen inhoudelijke besluiten genomen. Er is een nieuwe vergadering uitgeschreven.
2.6.
Op 28 mei 2024 vond een nieuwe ALV plaats. Bij brief van 20 mei 2024 zijn aanvullende agendapunten ter besluitvorming voorgelegd, waaronder het vaststellen van een vergoeding van facturen die door individuele leden zijn voorgeschoten ten behoeve van de vve. Tijdens de ALV waren het echtpaar [partij B sub 2] en [partij B sub 3] aanwezig. Tijdens deze ALV is besloten: (1) [bedrijfsnaam] als ‘externe beheerder’ te benoemen, (2) alleen de strikt noodzakelijke werkzaamheden uit het MJOP uit te voeren, te weten het overlagen van de dakbekleding, herstel van de hemelwaterafvoer en schilderwerk; de kosten hiervoor zullen door de leden zelf betaald worden, naar verdeling van het aantal stemmen en (3) tot vergoeding van de facturen die door de vve zijn voorgeschoten aan de betreffende leden (voor natuursteen, riolering en controle van de dakkapel).
2.7.
Per 1 juli 2024 is [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ) als bestuurder van de vve ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK). [partij A] heeft tegen deze inschrijving bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 24 oktober 2024 heeft de KvK dit bezwaar gegrond verklaard en de inschrijving dienovereenkomstig aangepast en [bedrijfsnaam] als bestuurder geschrapt uit het handelsregister. Aan dit besluit is door de KvK ten grondslag gelegd dat uit het besluit van de vve van 28 mei 2024 niet volgt dat [bedrijfsnaam] is benoemd tot bestuurder.
2.8.
In juli 2024 is [partij A] een procedure gestart strekkende tot nietig verklaring dan wel vernietiging van de besluiten die zijn genomen op de ALV van 28 mei 2024. Bij beschikking van 5 februari 2025 heeft de kantonrechter het besluit van de vve van 28 mei 2024 om facturen die individuele leden ten behoeve van de vve hebben voldaan, in rekening te brengen bij de vve (natuursteen, riolering, controle van de dakkapel), vernietigd. De kantonrechter heeft de verzoeken tot vernietigingen van besluit 1 en 2 afgewezen. Ten aanzien van het besluit om [bedrijfsnaam] als externe beheerder te benoemen heeft de kantonrechter geoordeeld dat dit besluit niet nietig noch vernietigbaar is.
In rechtsoverweging 4.8 en 4.11 van de beschikking wordt hierover het volgende overwogen:
“4.8. [partij A] wijst – zo begrijpt de kantonrechter zijn verzoekschrift – in dit verband hoofdzakelijk op het feit dat de (nadere) oproeping voor de vergadering van 28 mei 2024, met name op het punt van de benoeming van een externe partij, niet onder ‘nauwkeurige schriftelijke opgave van de te behandelen punten’ heeft plaatsgevonden. Er wordt immers in de stukken gesproken over een ‘beheerder’, terwijl kennelijk de benoeming van een externe bestuurder is beoogd. Daarmee is sprake van strijd met het modelreglement en/of de splitsingsakte, aldus [partij A] . De kantonrechter ziet dat anders. Uit de correspondentie die in de aanloop naar de vergadering tussen partijen is gewisseld, blijkt duidelijk dat de vergadering van 28 mei 2024 (onder meer) bedoeld was om te voorzien in de aanstelling van een (professionele) bestuurder, zodat de besluitvorming in de vve kon worden vlot getrokken. Voor de leden was daarmee voldoende duidelijk wat er op 28 mei 2024 ter tafel zou komen. Dat de notulen abusievelijk vermelden dat het (slechts) zou gaan om een ‘beheerder’ is ongelukkig en onzorgvuldig, maar levert in het licht van de ruime correspondentie en discussie vooraf (waarin het zoals al overwogen voor ieder duidelijk was dat er een professionele bestuurder werd gezocht), geen strijd op met de wet, splitsingsakte of statuten.”
“4.11. Met besluit (1) wordt geëffectueerd dat [bedrijfsnaam] als bestuurder wordt aangesteld. Op zichzelf staat het de vergadering van een vve te allen tijde vrij om een bestuurder aan te stellen. Het besluit om een overeenkomst met [bedrijfsnaam] aan te gaan, is daarom, ongeacht de argumenten die daaraan ten grondslag liggen, op zichzelf niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat [partij A] redenen had om (onder meer op basis van Google reviews) aan de professionaliteit en deskundigheid van [bedrijfsnaam] te twijfelen mag zo zijn, maar doet niet af aan de (unanieme) besluitvorming tijdens de vergadering. Van aperte strijd met de redelijkheid en billijkheid, is daarom geen sprake.”
2.9.
Op 17 november 2025 vond een nieuwe ALV plaats. Bij brief van 29 oktober 2025 is een uitnodiging voor de ALV van 17 november 2025 aan de leden van de vve verstuurd. Bij die brief is een agenda gevoegd waarin staat dat besluitvorming zal worden gevraagd over (1) vaststellen (aangepaste) notulen voorgaande ledenvergadering, (2) bevestiging aanstelling [bedrijfsnaam] als bestuurder en beheerder, conform vorige vergadering bijgevoegde offerte, (3) incassomandaat [bedrijfsnaam] en (4) voorschotten/betalingen leden in privé/ vaststellen additionele ledenbijdragen. Tijdens de ALV waren het echtpaar [partij B sub 2] en [partij B sub 3] aanwezig. Tijdens deze ALV zijn de (aangepaste) notulen van de vergadering van 28 mei 2024 vastgesteld. De notulen zijn aangepast op de volgende punten:
“- aangepast is onder punt 1 dat [bedrijfsnaam] niet alleen als beheerder is aangesteld door de ledenvergadering, maar ook als bestuurder (NB: dit is in de eerdere vergadering ook zo besloten maar in de notulen stond abusievelijk niet de term ‘bestuurder’ ook genoemd).
- aangepast is onder punt 3: het genotuleerde besluit om de facturen van Kuipers Natuursteen, Riolering en Controle dakkapel door [naam] te vergoeden aan de leden die ze betaald hebben wordt geschrapt (NB: waar nodig wordt dit in een volgende vergadering alsnog aan de orde gesteld).”
De vergadering besluit:
-
De (aangepaste) notulen van de Algemene Ledenvergadering dd 28 mei 2024 worden vastgesteld en getekend.
Onder punt 4 van de notulen staat vervolgens:
“4. Bevestiging aanstelling [bedrijfsnaam] v.o.f. als bestuurder en beheerder, inclusief werkomschrijving en goedkeuring offerte.
(…)
De vergadering besluit (nogmaals,, want in feite ook al gedaan in de vergadering dd 28 mei 2024):
-
[bedrijfsnaam] v.o.f. (hierna ook genoemd ‘ [bedrijfsnaam] ’) aan te stellen als bestuurder en als beheerder van [partij B sub 1] op basis van het beschreven pakket “pakket I” in de eerder rondgestuurde offerte van [bedrijfsnaam] . (…)”
Tijdens de ALV is verder onder meer besloten: (1) [bedrijfsnaam] te machtigen en de opdracht te geven om namens de vve ten aanzien van de incasso van de verschuldigde bijdragen van de leden van de vve en in geval van achterstallige betaling te handelen als beschreven in de bij de uitnodiging voor de vergadering gevoegde incassoprocedure, en (2) dat het bij de notulen gevoegde financiële overzicht, met daarop de nog door de leden te betalen of ontvangen bedragen, wordt goedgekeurd en aan [bedrijfsnaam] wordt gevraagd om op basis van dit financiële overzicht de bijbehorende facturen aan de leden te versturen dan wel een terugbetaling te doen van de rekening van de vve.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[partij A] verzoekt de kantonrechter bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad:
I. het besluit van de algemene ledenvergadering van de vve van 17 november 2025 tot wijziging en (her)vaststelling van de notulen van de vergadering van 28 mei 2024 te vernietigen (artikel 2:15 BW Pro);
II. voor recht te verklaren dat het besluit van de algemene ledenvergadering van de vve van
17 november 2025 strekkende tot benoeming van [bedrijfsnaam] v.o.f. als
bestuurder/administrateur en beheerder van de vve “overeenkomstig de eerder rondgestuurde offerte” dan wel “pakket I”, inclusief taken/werkomschrijving, nietig is (artikel 2:14 BW Pro), althans subsidiair dit besluit te vernietigen (artikel 2:15 BW Pro);
III. primair voor recht te verklaren dat het besluit van de algemene ledenvergadering van de vve van 17 november 2025 strekkende tot goedkeuring van het financiële overzicht en tot verrekening en/of vergoeding van enerzijds door bepaalde leden in privé gestelde “voorgeschoten” kosten ten laste van de vve (natuursteen, opstalverzekering, boekhoudpakket, vve belang), anderzijds daaronder begrepen de impliciete vaststelling en omslag van een additionele ledenbijdrage ter grootte van onder meer € 7.920, alsmede de daarin opgenomen kostenposten (boekhoudprogramma 2025, gas/licht/water, riolering ontstopping), alsmede de opgenomen mutaties/posten “terugbetaling [bedrijfsnaam] ” en “terugbetaling Stedin”, nietig is (artikel 2:14 BW Pro), althans subsidiair dit besluit te vernietigen (artikel 2:15 BW Pro);
IV. primair voor recht te verklaren dat het besluit van de algemene ledenvergadering van de vve van 17 november 2025 strekkende tot verlening van een incasso- en kostenverhaalsregime aan [bedrijfsnaam] op basis van de “Beschrijving incassoprocedure” nietig is (artikel 2:14 BW Pro), althans subsidiair dit besluit te vernietigen (artikel 2:15 BW Pro), althans dit besluit nietig te verklaren dan wel te vernietigen voor zover het inhoudt:
a. dat (in strijd met artikel 17 onder Pro e MR1973) kosten van een rechtsgeding en daarmee samenhangende kosten (waaronder procesbegeleiding en/of “begeleidingsuren” van [bedrijfsnaam] ) automatisch en zonder rechterlijke beslissing op een individueel lid worden verhaald;
b. dat buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld op een hoger niveau dan voortvloeit uit de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het daarop berustende Besluit, en/of zonder inachtneming van de wettelijke voorwaarden;
c. dat proceskosten en overige gerechtelijke kosten op een wijze worden verhaald die afwijkt van of vooruitloopt op het wettelijke proceskostenstelsel van de artikelen 237 e.v. Rv;
d. dat [bedrijfsnaam] eigen kosten of uurtarieven in eigen naam op leden of (toekomstige) eigenaren kan verhalen zonder contractuele relatie;
V. te verklaren voor recht dat (i) de vve slechts kosten op een lid kan verhalen voor zover deze kosten als VvE-kosten zijn aan te merken, deugdelijk zijn onderbouwd met bewijsstukken en berusten op een rechtsgeldig besluit van de ALV, en (ii) de vve geen incasso- of proceskosten op een individueel lid kan verhalen voor zover deze uitgaan boven hetgeen voortvloeit uit (a) artikel 17 onder Pro e MR1973 (kosten rechtsgeding als gemeenschappelijke kosten), (b) de dwingendrechtelijke regeling inzake
buitengerechtelijke incassokosten, en (c) een eventuele door de rechter uitgesproken
proceskostenveroordeling, een en ander in het bijzonder ten aanzien van de in het financieel
overzicht per 31 oktober 2025 opgenomen posten en mutaties en de in de “Beschrijving
incassoprocedure” beschreven kostenverhaalsregeling;
VI. voor zover nodig voor een goede beoordeling: de vve op te dragen om op de voet van artikel 22 Rv Pro de onderliggende stukken over te leggen die betrekking hebben op de in dit verzoekschrift genoemde posten (waaronder: offertes, opdrachtbevestigingen/ondertekende opdrachten, facturen, betaalbewijzen/bankafschriften, correspondentie met aannemers/verzekeraar, en eventuele interne besluitvorming of machtigingen), als genoemd in het “financieel overzicht”;
VII. de vve te veroordelen in de kosten en nakosten van de procedure.
3.2.
Aan zijn verzoeken legt [partij A] – in de kern genomen – ten grondslag dat de besluiten die tijdens de vergadering van 17 november 2025 zijn genomen, nietig zijn, of anders in elk geval vernietigbaar, omdat die besluiten in strijd zijn met de wet, de akte van splitsing, het reglement van splitsing, het modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1973 (hierna: het modelreglement) of omdat de besluiten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Op de overige stellingen van [partij A] zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.
3.3.
De vve voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [partij A] .
De VvE verzoekt de kantonrechter op haar beurt bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair, voor recht te verklaren dat de op 17 november 2025 gehouden ALV rechtsgeldig is bijeengeroepen en gehouden, en dat de tijdens deze vergadering genomen besluiten rechtsgeldig zijn, waaronder in het bijzonder het besluit tot benoeming van [bedrijfsnaam] tot bestuurder van de vve;
II. subsidiair, voor zover wordt geoordeeld dat hierover onduidelijkheid bestaat, een aanwijzing dan wel voorziening te geven inhoudende dat [bedrijfsnaam] als bestuurder van de VvE dient te worden aangesteld dan wel als zodanig dient te worden erkend;
III. te bepalen dat [bedrijfsnaam] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van de vve, bevoegd is om namens de vve over de bankrekening(en) van de vve te beschikken en alle handelingen te verrichten die voor het normale financiële beheer van de vve noodzakelijk zijn, zulks met opheffing van eventuele blokkades die dit beheer belemmeren;
IV. [partij A] te bevelen, althans te veroordelen, om de in de brief van 12 januari 2023 genoemde bijdrage van € 3.949,75 uiterlijk 31 maart 2026 te voldoen door overmaking op de bankrekening van de vve, op straffe van een door de kantonrechter te bepalen dwangsom per dag, althans per dagdeel, dat hij na voornoemde datum in gebreke blijft. Subsidiair een bedrag van € 3.910,90;
V. [partij A] te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.4.
Op de overige stellingen en verweren van de vve zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4.De beoordeling

Juridisch kader
4.1.
Op grond van artikel 5:130 BW Pro is
de kantonrechterbevoegd te oordelen over een verzoek tot vernietiging van een vve-besluit. Het is in beginsel
de rechtbank, die oordeelt over de nietigheid van besluiten. In zijn arrest van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1275) heeft de Hoge Raad echter overwogen dat in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vve op de voet van artikel 5:130 lid 1 BW Pro in verbinding met artikel 2:15 BW Pro tevens een beroep op de nietigheid van dat besluit aan de orde kan worden gesteld.
4.2.
Volgens artikel 17 onder Pro e van het modelreglement worden tot de schulden en kosten van de gezamenlijke eigenaars gerekend de kosten van een rechtsgeding waarin de gezamenlijke eigenaars als eisers of verweerders optreden. Volgens artikel 32 lid 3 van Pro het modelreglement worden vergaderingen gehouden zo vaak als de administrateur of de voorzitter dit nodig acht, of zo vaak als een nader in de akte te bepalen aantal eigenaars, onder nauwkeurige schriftelijke opgave van de te behandelen punten, dit verzoekt aan de administrateur. Volgens lid 6 vindt de oproeping ter vergadering plaats met een termijn van ten minste acht vrije dagen onder opgave van de agendapunten. Volgens artikel 39 lid 1 van Pro het modelreglement wordt van het in de vergadering behandelde onderhandse notulen gehouden, welke moeten worden ondertekend door de voorzitter en de administrateur.
Het besluit tot benoeming van [bedrijfsnaam] van 28 mei 2024
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat uit de beschikking van 5 februari 2025 volgt dat het besluit tot benoeming van [bedrijfsnaam] als bestuurder rechtsgeldig is genomen. De kantonrechter heeft de verzoeken van [partij A] om dat besluit nietig te verklaren dan wel te vernietigen immers afgewezen. Daarnaast heeft de kantonrechter in die beschikking geoordeeld dat de terminologie in de notulen, waar staat dat het (slechts) zou gaan om een ‘beheerder’, ongelukkig en onzorgvuldig is maar dat dit in het licht van de ruime correspondentie en discussie vooraf (waarin het voor ieder duidelijk was dat er een professionele bestuurder werd gezocht), geen strijd oplevert met de wet, splitsingsakte of statuten. Dat betekent dat [bedrijfsnaam] per 28 mei 2024 als bestuurder is benoemd.
4.4.
Dit betekent eveneens dat de beslissing op bezwaar van de KvK van 24 oktober 2024 waarbij [bedrijfsnaam] als bestuurder uit het handelsregister is geschrapt ten onrechte is genomen. [bedrijfsnaam] is per besluit van 28 mei 2024 als bestuurder van de vve benoemd en dient dan ook dienovereenkomstig te worden ingeschreven in het handelsregister van de KvK. [bedrijfsnaam] is derhalve eveneens reeds per 28 mei 2024 bevoegd om over de bankrekening van de vve te beschikken.
4.5.
Tijdens de ALV van 17 november 2025 heeft de vve de notulen van de vergadering van 28 mei 2024 aangepast in die zin dat [bedrijfsnaam] niet alleen als beheerder is aangesteld door de ledenvergadering, maar ook als bestuurder conform hetgeen in de eerdere vergadering is besloten. De aanpassing van de notulen is dus enkel een verduidelijking van het besluit van 28 mei 2024 en heeft geen juridische betekenis. Dat de ALV dit ook zo heeft bedoeld, volgt eveneens uit punt 4 van de notulen van de vergadering namelijk de bevestiging van de bestuursbenoeming. De aanpassing van de notulen is dan ook geen formeel besluit dat voor nietigverklaring of vernietiging in aanmerking komt, zodat het verzoek van [partij A] op dit punt wordt afgewezen.
4.6.
Onder punt 4 van de notulen staat vervolgens: “
De vergadering besluit (nogmaals,, want in feite ook al gedaan in de vergadering dd 28 mei 2024”om [bedrijfsnaam] te benoemen als bestuurder. Het ‘nieuwe’ besluit is een bevestiging van wat al er al besloten is in de vergadering van 28 mei 2024. Dit ziet de kantonrechter niet als een formeel besluit. Ook deze passsage komt daarom niet voor nietigverklaring of vernietiging in aanmerking. Het geschil spitst zich daarmee toe op de twee besluiten zoals hiervoor onder 2.9. weergegeven.
Nietigheid besluiten ALV 17 november 2025
4.7.
In artikel 2:14 lid 1 BW Pro is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd met de wet of de statuten is genomen, nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Daarbij wordt de splitsingsakte gelijkgesteld met de statuten (artikel 5:129 lid 1 BW Pro).
4.8.
Ten aanzien van het besluit om [bedrijfsnaam] een incassomandaat te geven stelt [partij A] – zo begrijpt de kantonrechter zijn verzoek – dat dit besluit nietig is omdat het (1) in strijd is met artikel 17 onder Pro e van het modelreglement, (2) het in strijd is met de dwingendrechtelijke regelgeving omtrent buitengerechtelijke incassokosten en (3) het besluit in strijd is met het proceskostenstel zoals dat is geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De kantonrechter volgt [partij A] niet op deze punten. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
4.9.
In het document beschrijving incassoprocedure dat bij de oproep en de agenda voor de ALV en ook nogmaals bij de notulen van de ALV van 17 november 2025 is meegestuurd, staat onder meer:
“(…)
De VvE heeft besloten dat in alle gevallen waarbij [bedrijfsnaam] een vordering uit handen geeft, de daarmee gepaard gaande gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten ten laste van het nalatige lid komen. Deze buitengerechtelijke kosten worden vastgesteld op minimaal 15% van het te incasseren bedrag, vermeerderd met de verschuldigde BTW en wettelijke rente.
[bedrijfsnaam] zal de begeleiding van incassoprocedures, zoals het bijwonen van rechtszaken, per gewerkt uur in rekening brengen. [bedrijfsnaam] zal de kosten hiervan verhalen op het betreffende lid.”
4.10.
In artikel 17 onder Pro e van het modelreglement is bepaald dat de kosten van een rechtsgeding waarin de gezamenlijke eigenaars als eisers of verweerders optreden tot de gemeenschappelijke schulden en kosten worden gerekend. [partij A] stelt dat het besluit in strijd is met deze bepaling, omdat in de beschrijving van de incassoprocedure is opgenomen dat de kosten – kort gezegd – ten laste van het nalatige lid komen. De kantonrechter volgt [partij A] niet op dit punt. In artikel 18 lid 6 van Pro de splitsingsakte van 13 augustus 1980 is immers – kort gezegd – bepaald dat de kosten van een gerechtelijke procedure voor rekening komen van het lid dat zijn bijdrage niet heeft betaald. Partijen hebben in de akte van splitsing dus een afwijkende bepaling opgenomen op grond waarvan die kosten in rekening mogen worden gebracht.
4.11.
Het besluit tot het verstrekken van een incassomandaat is evenmin in strijd met de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK). De bepaling ziet ten eerste op de situatie dat [bedrijfsnaam] heeft aangemaand en de vordering na niet betaling uit handen zal geven aan bijvoorbeeld een incassobureau. Dat incassobureau zal dan buitengerechtelijke incassokosten kunnen vorderen. De vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten in zaken waarbij de schuldenaar een consument is (het nalatige vve lid) is vastgelegd in artikel 6:96 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) en de artikelen 241 en 242 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), zijnde de normering in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Op basis van dat besluit betreft de hoogte van de toe te wijzen buitengerechtelijke incassokosten minimaal 15% van de hoofdsom. Het besluit van de vve is dan ook niet in strijd met de wettelijke regeling.
4.12.
Verder is het besluit ook niet in strijd met het wettelijke proceskostenstelsel. De proceskosten worden in een procedure toegewezen conform artikel 237 Rv Pro. Dat betekent dat de in het ongelijk gestelde partij – doorgaans – in de proceskosten wordt veroordeeld. Dat [bedrijfsnaam] haar kosten in rekening wil brengen, staat daar los van. Het staat partijen vrij daar afspraken over te maken. Van strijd met de wettelijke proceskostenregeling is dan ook geen sprake.
4.13.
De kantonrechter begrijpt dat [partij A] zich ten aanzien van het tweede besluit op het standpunt stelt dat dit nietig is, omdat het vaststellen van een additionele bijdrage en de omslag daarvan over breukdelen een wezenlijk te behandelen punt is dat als zodanig op de agenda kenbaar en voldoende concreet had moeten zijn. De kantonrechter ziet dit anders. In de agenda staat onder punt 6 duidelijk opgenomen dat er additionele bijdragen zullen worden vastgesteld en dat als te nemen besluit het financieel overzicht moet worden goedgekeurd en de additionele bijdragen moeten worden vastgesteld. Uit het financieel overzicht blijkt vervolgens duidelijk om welke bedragen het gaat en welke financiële gevolgen dat heeft voor de leden. Dat er een additionele bijdrage zou worden vastgesteld en wat dit concreet zou betekenen voor de leden was naar het oordeel van de kantonrechter dan ook voldoende duidelijk. Dat in de notulen niet expliciet staat opgenomen dat de additionele bijdrage op een bedrag van € 7.920,- wordt vastgesteld, doet daar ook niet aan af. In de notulen staat immers dat het financieel overzicht wordt goedgekeurd, inclusief de resulterende nog door de leden te ontvangen of te betalen bedragen, wordt goedgekeurd. Op basis van het bijgevoegde financiële overzicht is het vervolgens klip en klaar dat die additionele bijdrage € 7.920,- bedraagt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook geen strijd met het modelreglement op dit punt.
4.14.
[partij A] stelt – naar de kantonrechter begrijpt – verder dat sprake is van strijd met artikel 2:10 BW Pro omdat dat de vve het financieel overzicht verder niet heeft onderbouwd met facturen, bankafschriften, polisbladen, schadebesluiten of andere bewijsstukken. [partij A] stelt verder dat er indicaties zijn van privékosten en onzuivere toerekening en dat het overzicht onverklaarbare posten en mogelijke dubbeltellingen bevat. De kantonrechter gaat hieraan voorbij nu artikel 2:10 BW Pro ziet op de wijze waarop het bestuur administratie voert. De stellingen van [partij A] zijn gericht tegen het besluit tot goedkeuring van een financieel overzicht en vaststelling van een additionele bijdrage en gaan niet over de algehele administratie door het bestuur.
4.15.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat bij de totstandkoming van de besluiten geen sprake is van strijd met de wet, splitsingsakte of statuten. De verzochte verklaringen van recht zullen dan ook worden afgewezen.
Vernietigbaarheid besluiten ALV 17 november 2025
4.16.
Op grond van artikel 5:130 lid 1 BW Pro, te lezen in verbinding met de artikelen 2:15 lid 1 en 2:8 BW, kan de kantonrechter een besluit van de vve vernietigen als het besluit: (a) tot stand is gekomen in strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) wat de wijze van totstandkoming betreft in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, (c) wat de inhoud van het besluit betreft in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
4.17.
De grondslag waarop het verzoek tot vernietiging berust, is dat de besluiten van de vve van 17 november 2025 wat inhoud en wijze van tot stand komen betreft, in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter zal in dat kader dan ook moeten toetsen of de vve bij afweging van alle bij de besluitvorming betrokken belangen, daar in redelijkheid toe heeft kunnen komen. De rechterlijke toetsing van de inhoud van besluiten van de vve aan de redelijkheid en billijkheid hoort een marginale toetsing te zijn, omdat aan de vergadering een ruime mate van eigen verantwoordelijkheid toekomt. Een besluit kan daarom alleen vernietigd worden als de inhoud van het besluit apert in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
4.18.
Op grond van het eerste besluit krijgt [bedrijfsnaam] een incassomandaat om een procedure te starten indien een lid van de vve zijn of haar financiële verplichting ten aanzien van de vve niet nakomt. De vve heeft de bevoegdheid om het verrichten van incasso’s te mandateren aan haar bestuurder. Daarom valt niet in te zien waarom dit besluit in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid.
4.19.
Ook het tweede besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [partij A] stelt dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat de vve het overzicht verder niet onderbouwt met facturen, bankafschriften, polisbladen, schadebesluiten of andere bewijsstukken. [partij A] stelt verder dat er indicaties zijn van privékosten en onzuivere toerekening en dat het overzicht onverklaarbare posten en mogelijke dubbeltellingen bevat. [partij A] verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van 5 februari 2025 waarin het besluit dat facturen die individuele leden ten behoeve van de vve hebben betaald (voor natuursteen, riolering en controle van de dakkapel) in rekening mogen worden gebracht bij de vve is vernietigd. De kantonrechter ziet dit anders. In de beschikking van 5 februari 2025 is het besluit van 28 mei 2024 om facturen die individuele leden ten behoeve van de vve hebben betaald (voor natuursteen, riolering en controle van de dakkapel), in rekening te brengen bij de vve vernietigd, omdat de vve dit besluit had aangekondigd en omdat de vve niet was ingegaan op de stellingen van [partij A] dat de offertes, facturen en betaalbewijzen niet waren overgelegd. Dat is nu anders. In haar verweerschrift is de vve uitgebreid ingegaan op de op het financieel overzicht genoemde posten. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de kosten op het financieel overzicht en de vastgestelde additionele bijdrage dan ook voldoende onderbouwd en ziet de kantonrechter geen aanleiding het besluit te vernietigen. Dat geldt te meer nu sprake is van een voorlopige vaststelling en er tijdens de ALV van 17 november 2025 ook een kascommissie is benoemd die de facturen kan controleren. Daar komt bij dat het besluit ziet op een aanvulling van een tekort in de kas. [partij A] betwist niet dat er een tekort is. Dat blijkt immers uit de door de vve overgelegde brief van 27 januari 2023 die door [partij A] is opgesteld. Uit de brief volgt dat [partij A] , destijds zelf bestuurder, de leden verzoekt een additionele ledenbijdrage te voldoen in verband met onderhoudskosten.
4.20.
Op grond van het bovenstaande ziet de kantonrechter geen reden om de besluiten (1) en (2) te vernietigen. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
Overige verzoeken [partij A]
4.21.
Het verzoek van [partij A] te verklaren voor recht dat – samengevat – (1) de vve slechts kosten op een lid kan verhalen voor zover deze kosten als vve-kosten zijn aan te merken, deugdelijk zijn onderbouwd en berusten op een rechtsgeldig besluit van de vve, en (2) (verkort weergegeven) de vve geen incasso- of proceskosten op een individueel lid kan verhalen zal bij gebrek aan juridische grondslag worden afgewezen. Datzelfde geldt voor het verzoek van [partij A] om de vve op te dragen op de voet van artikel 22 Rv Pro onderliggende stukken te overleggen.
De tegenverzoeken van de vve
4.22.
Op grond van artikel 5:126 lid 1 BW Pro voert de vereniging van eigenaars het beheer over de gemeenschap, met uitzondering van de gedeelten die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Krachtens artikel 5:126 lid 2 BW Pro kan de vereniging binnen de grenzen van haar bevoegdheid de gezamenlijke eigenaars in en buiten rechte vertegenwoordigen. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen is [bedrijfsnaam] bij besluit van 28 mei 2024 als bestuurder van de vve benoemd. Het is dan ook [bedrijfsnaam] als bestuurder van de vve die de bevoegdheid heeft om namens de vve in rechte op te treden. Nu de onderhavige tegenverzoeken zijn ingesteld door de vve en niet door [bedrijfsnaam] als bestuurder, is de vve niet-ontvankelijk in haar tegenverzoeken.
Proceskosten
4.23.
[partij A] is in de zaak van het verzoek in het ongelijk gesteld en daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure (inclusief de nakosten). Aan een partij die zonder professionele gemachtigde procedeert en op zitting verschijnt worden op grond van art. 238 Rv Pro verletkosten toegekend. Deze worden volgens het beleid van de rechtbank begroot op € 50,-. [partij A] wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [partij B sub 2] en [partij B sub 3] .
4.24.
De vve is in de zaak van het tegenverzoek in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure in het tegenverzoek. De proceskosten worden begroot op nihil nu [partij A] niet ter zitting is verschenen en ook anderszins niet gebleken is dat hij kosten heeft gemaakt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in de zaak van het verzoek
5.1.
wijst de verzoeken af;
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten aan [partij B sub 2] en [partij B sub 3] ieder € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij A] niet tijdig aan de
veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [partij A] ook de kosten van betekening betalen;
in de zaak van het tegenverzoek
5.3.
wijst de verzoeken af;
5.4.
veroordeelt de vve in de proceskosten aan de zijde van [partij A] , die op nihil worden vastgesteld;
in de zaak van het verzoek en in de zaak van het tegenverzoek
5.5.
verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D. Jongsma en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.