ECLI:NL:RBDHA:2026:14651

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL26.8252
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op nareisaanvraag met oplegging dwangsom

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op haar nareisaanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 17 juni 2025 een beslistermijn van acht weken had gesteld. De minister heeft deze termijn niet nageleefd en ook na ingebrekestelling geen besluit genomen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke termijn in de eerdere uitspraak. De minister heeft verzocht om een verlenging van de beslistermijn tot zestien weken vanwege nader onderzoek en herstel van verzuim door eiseres. De rechtbank vindt deze termijn te lang en legt een termijn van twaalf weken op, ingaand na verzending van deze uitspraak.

Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd met een maximum van € 15.000,- voor het geval de minister niet binnen de gestelde termijn beslist. Eiseres krijgt ook een proceskostenvergoeding van € 467,- toegekend en wordt vrijgesteld van griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige maar tijdige besluitvorming door de minister.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een beslistermijn van twaalf weken met dwangsom op aan de minister.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8252
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. M. Banwari).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 juni 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen acht weken moet beslissen op de nareisaanvraag van eiseres, indien de minister niet binnen die termijn kenbaar maakt dat hij nader onderzoek wil verrichten. De minister heeft zich hieraan niet gehouden. Eiseres stelt daarom nu beroep in.

Overwegingen

De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiseres heeft voldoende aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiseres daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
Voor aanvragen die zijn ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van 90 dagen na indiening daarvan. De minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden.3 De minister heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.4
Is het beroep van eiseres ontvankelijk?
5. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 17 juni 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.5 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiseres dus ontvankelijk.
Is het beroep van eiseres gegrond?
6. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
7. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.6 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7
8. De minister heeft op 9 maart 2026 een verweerschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht om een nadere beslistermijn van zestien weken. Hiertoe heeft hij aangegeven dat de aanvraag van eiseres inmiddels is toegewezen aan een behandelaar en dat aan eiseres per brief van 4 maart 2026 herstel verzuim is geboden om de aanvraag compleet te maken. De minister heeft in het verweerschrift tevens aangegeven voornemens te zijn om nader onderzoek, in de vorm van een gehoor, te verrichten.
9. De minister heeft de rechtbank op 21 mei 2026 schriftelijk laten weten dat eiseres de gevraagde informatie op 20 april 2026 heeft aangeleverd. De minister heeft ook aangegeven nog altijd voornemens te zijn om een gehoor af te nemen en blijft daarom bij zijn eerdere verzoek om een termijn van zestien weken op te leggen. Deze termijn is volgens de minister passend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen.
10. De rechtbank ziet in de uitleg van de minister aanleiding om een langere beslistermijn dan twee weken op te leggen. De rechtbank is echter van oordeel dat de gevraagde termijn van zestien weken te lang is. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister de periode van 20 april 2026 tot en met 21 mei 2026 onbenut heeft gelaten om voortgang te maken met de besluitvorming. Om recht te doen aan zowel het belang van eiseres bij een duidelijke beslistermijn als het belang van de minister om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, legt de rechtbank een nadere beslistermijn op van twaalf weken. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.
4 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
6 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
7 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
11. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.8 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Mede onder invloed van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State van 31 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1792, hanteert deze zittingsplaats van de rechtbank bij opvolgende beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet langer het hogere tarief van € 250,-, met een maximum van € 37.500,-. Dit is slechts anders indien de rechtbank een sterke prikkel voor de minister nodig acht om tot een besluit op de aanvraag te komen. Daarvan is in deze zaak geen sprake.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen twaalf weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan moet hij een dwangsom betalen.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. De rechtbank volgt de minister niet in diens standpunt dat de zaak van “zeer licht” gewicht is, als gevolg waarvan een wegingsfactor van 0,25 zou moeten worden toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
8 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.