ECLI:NL:RBDHA:2026:14685

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
25/2337
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 2.10 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen omgevingsvergunning wegens termijnoverschrijding

Eisers, omwonenden van een horecagelegenheid, maakten bezwaar tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop. Het college had het bezwaar aanvankelijk ontvankelijk verklaard, ondanks dat het bezwaarschrift te laat was ingediend.

De rechtbank oordeelt dat een e-mail van eisers met vragen niet als bezwaarschrift kan worden aangemerkt, waardoor het daadwerkelijke bezwaarschrift pas na de termijn werd ingediend. De termijnoverschrijding van twee dagen wordt niet als verschoonbaar beschouwd, omdat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn en eisers in staat waren te corresponderen met het college.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Het college wordt verplicht het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, het bestreden besluit wordt vernietigd en het griffierecht wordt vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2337

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[eisers sub 1],

[eisers sub 2],
[eisers sub 3] en
[eisers sub 4],
allen uit [woonplaats], eisers
(gemachtigde van [eisers sub 1]: [gemachtigde 1])
en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, het college

(gemachtigde: [gemachtigde 2])
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder]uit [woonplaats], vergunninghouder
(gemachtigde: mr. J.C.L. de Bruijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een horecagelegenheid op het [adres] in [plaats]. Eisers zijn omwonenden en zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege de niet tijdige indiening daarvan. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eisers alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 21 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een horecagelegenheid op het [adres] in [plaats].
2.1.
Met het besluit van 30 juli 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning [1] verleend. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft een zienswijze ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eisers sub 1] en zijn gemachtigde, vergunninghouder, de gemachtigde van vergunninghouder en [naam] (partner van vergunninghouder). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid in bezwaar
Standpunt vergunninghouder
3. Vergunninghouder betoogt dat het college het bezwaar van eisers ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Volgens vergunninghouder is het bezwaarschrift te laat ingediend. Vergunninghouder betwist het standpunt van het college dat de e-mail van eisers van 6 augustus 2024 gekwalificeerd kan worden als een bezwaarschrift. Uit deze e-mail blijkt namelijk niet zonder meer dat eisers het oneens zijn met het besluit van 30 juli 2024. Er worden slechts vragen gesteld in de e-mail. Dit betekent volgens de vergunninghouder dat het bezwaarschrift van 12 september 2024 niet kan worden gezien als een aanvulling op een eerder bezwaarschrift. Dit heeft als gevolg dat het bezwaarschrift niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend. De termijnoverschrijding is bovendien niet verschoonbaar. Vast staat namelijk dat eisers in ieder geval vanaf 2 augustus 2024 op de hoogte waren van het besluit. Zij hadden dus vijf weken en vier dagen de tijd om een bezwaarschrift in te dienen. Als zij dit niet tijdig konden doen vanwege vakantie of andere omstandigheden, hadden eisers een pro-forma bezwaarschrift kunnen indienen.
3.1.
Omdat vergunninghouder de tijdigheid van het bezwaar van eisers heeft betwist, moet de rechtbank daarover een oordeel geven. [2]
Kan de e-mail van 6 augustus 2024 worden aangemerkt als een bezwaarschrift?
4. Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar moet bevatten.
4.1.
Ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet aan één van de vereisten van artikel 6:5, eerste lid, van de Awb wordt voldaan.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [3] worden aan de motivering van een bezwaarschrift geen hoge eisen gesteld. Ook als de gronden van het bezwaar slechts summier zijn, is voldaan aan het in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb gestelde vereiste, tenzij het bezwaarschrift geen zodanig concrete grond bevat dat daartegen verweer kan worden gevoerd.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college de e-mail van 6 augustus 2024 ten onrechte heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 30 juli 2024. In de
e-mail stellen eisers vragen over de verleende omgevingsvergunning. Zij vermelden dat zij graag zo spoedig mogelijk iemand van de gemeente hierover willen spreken. Uit de strekking en inhoud van de e-mail kan niet worden afgeleid dat het – op dat moment – hun bedoeling was om daadwerkelijk bezwaar te maken. De gestelde vragen zijn daarom niet aan te merken als bezwaargronden. Daar komt bij dat eisers in hun e-mail aan het college van 9 september 2024 hebben aangegeven dat zij eventueel die week nog bezwaar willen maken. Ook daaruit leidt de rechtbank af dat eisers hun e-mail van 6 augustus 2024 kennelijk niet hebben bedoeld als bezwaarschrift.
4.4.
Gelet hierop voldoet de e-mail van 6 augustus 2024 niet aan de in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb opgenomen eis voor een bezwaarschrift. Dit betekent dat eisers pas op 12 september 2024 voor het eerst bezwaar hebben gemaakt en dat het college dit bezwaarschrift niet heeft kunnen aanmerken als een aanvulling op een eerder bezwaarschrift.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
5. De omgevingsvergunning is op 30 juli 2024 bekendgemaakt. De uiterste datum waarop het bezwaarschrift binnen de termijn van artikel 6:7 van Pro de Awb kon worden ingediend, was dus op 10 september 2024. Eisers hebben op 12 september 2024 het bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift van eisers is dus twee dagen te laat ingediend.
5.1.
Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. Dit staat in artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.2.
Hierbij is van belang dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de uitspraken van 30 januari 2024 [4] heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding door bestuursorganen en bestuursrechters in bepaalde gevallen meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de indiener van het bezwaar- of beroepschrift betreffen. Hierbij valt in de eerste plaats te denken aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats kan worden gedacht aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen, zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand.
5.3.
De rechtbank ziet in de door eisers aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De niet nader gedefinieerde familieomstandigheden noch de persoonlijke omstandigheden waar [eisers sub 1] ter zitting op heeft gewezen, zijn onvoldoende voor het oordeel dat eisers geen verwijt kan worden gemaakt voor de te late indiening van het bezwaarschrift. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers op 6 augustus 2024 en 9 september 2024 nog
e-mailcontact hebben gehad met het college over de verleende omgevingsvergunning. Uit de inhoud van die e-mails blijkt dat eisers op dat moment in staat waren om te corresponderen over de omgevingsvergunning. Niet valt in te zien waarom zij dan niet in staat waren om een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen.
5.4.
Voor zover eisers aanvoeren dat zij ervanuit waren gegaan dat de bezwaartermijn aanving op 2 augustus 2024, omdat zij op dat moment via Overheid.nl zijn geattendeerd op het besluit, kan dit niet tot een ander oordeel leiden. In de publicatie van het besluit staat duidelijk vermeld dat de bezwaartermijn van zes weken ingaat vanaf 31 juli 2024. Ook in het besluit zelf, dat op 7 augustus 2024 per e-mail is toegezonden aan eisers, is vermeld dat het bezwaar binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit moet worden ingediend. De te late indiening komt dus voor risico van eisers. Daar komt bij dat, in een situatie als deze, waarin het gaat om een aan een derde verleende vergunning, rekening moet worden gehouden met het belang van de vergunninghouder bij het streng hanteren van de bezwaartermijn, zodat hij weet of hij beschikt over een onherroepelijke omgevingsvergunning.

Conclusie en gevolgen

6. Omdat het college het bezwaar van eisers ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van eisers alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Alleen de rechtsbijstandskosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen namelijk voor vergoeding in aanmerking. [5]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • verklaart het bezwaar van eisers tegen het besluit van 30 juli 2024 niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3 en van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4740.
5.Zie artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.