ECLI:NL:RBDHA:2026:14735
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen grensdetentie en Dublin-overdracht met toepassing artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet
De rechtbank Den Haag behandelde op 27 mei 2026 gelijktijdig vier beroepen van asielzoekers tegen besluiten van 13 mei 2026 waarin een vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister had deze maatregel opgelegd vanwege Dublin-aanknopingspunten, omdat eisers in het bezit waren van een Schengenvisum afgegeven door Slovenië.
Eisers betwistten niet de feiten die een significant risico op onttrekking aan toezicht onderbouwen, maar stelden dat zij zich niet zouden verzetten tegen overdracht aan Slovenië. De rechtbank oordeelde dat het rechtsvermoeden van een significant risico op onttrekking niet was weerlegd, mede omdat eisers beroep hadden ingesteld tegen de overdrachtsbesluiten.
Daarnaast verwierp de rechtbank het standpunt van eisers dat overdracht aan Slovenië niet mogelijk zou zijn vanwege structurele tekortkomingen in de asielprocedure aldaar. Dit moet in het aparte beroep tegen de overdrachtsbesluiten worden beoordeeld. De beroepen werden ongegrond verklaard en verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De beroepen tegen de grensdetentie en Dublin-overdracht worden ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.