Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL26.13519 en NL26.13520
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 20 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië

Eiser, een Soedanese asielzoeker, diende op 12 december 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt ten aanzien van Kroatië vanwege zijn negatieve ervaringen daar, waaronder detentie, mishandeling en pushbacks.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De rechtbank weegt mee dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigen dat Kroatië geen structurele tekortkomingen vertoont die het vertrouwensbeginsel ondermijnen.

Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, de discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag toch in behandeling te nemen, wordt verworpen. De rechtbank stelt dat de bijzondere omstandigheden die eiser aanvoert reeds zijn meegewogen bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel en dat eiser geen medische of andere onderbouwing heeft geleverd die een onevenredige hardheid zou rechtvaardigen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 1 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.13519 (beroep) en NL26.13520 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Ayash als tolk in de taal Soedanees Arabisch en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ook beoordeelt de rechtbank eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Soedanese nationaliteit. Eiser heeft op 12 december 2025 asiel aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
4.1.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 [1] . Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser asiel heeft aangevraagd in Kroatië. Volgens artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening is Kroatië daarom verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Verweerder heeft Kroatië op 27 januari 2026 gevraagd om hem terug te nemen. Op 9 februari 2026 is Kroatië akkoord gegaan op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Het standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet meer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zo stelt eiser dat hij door de Kroatische autoriteiten is opgepakt en naar een politiebureau is gebracht, waar hij moest verblijven en waar zijn vingerafdrukken zijn afgenomen en tegen hem werd gezegd dat hij Kroatië direct behoorde te verlaten. Eiser stelt verder dat er twee keer een pushback heeft plaatsgevonden en de autoriteiten een keer gericht op hem hebben geschoten. Verder stelt eiser te zijn mishandeld door de politie en te zijn geschopt en geslagen. Eiser stelt zodoende dat sprake is van een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest [3] en dat overdracht naar Kroatië zal leiden tot een situatie die strijdig is met dit artikel. Volgens eiser is het verkrijgen van bewijs voor deze mishandeling niet mogelijk en stelt hij niet de bescherming van de autoriteiten te kunnen hebben inroepen.
5.1.
Eiser stelt ook dat sprake is van een bijzondere situatie en dat overdracht aan Kroatië zal leiden tot een onevenredige hardheid. Hij doet dan ook een beroep op de discretionaire bevoegdheid van verweerder om de asielaanvraag te behandelen, op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Dit wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [4] of artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest Jawo. [5]
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Uit de uitspraak van de Afdeling [6] van 9 oktober 2024 [7] , die daarna meerdere keren is bevestigd [8] , volgt dat verweerder nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. In de uitspraak van de Afdeling is aan bod gekomen dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van pushbacks van Dublinclaimanten, dat er geen obstakels zijn voor Dublinclaimanten om toegang te krijgen tot de asielprocedure en dat zij ook feitelijke toegang krijgen tot opvang.
6.2.
Ten aanzien van de ervaringen die eiser stelt te hebben meegemaakt in Kroatië, heeft de rechtbank geen aanleiding om aan die verklaringen te twijfelen. Eiser zal echter terugkeren als Dublinclaimant. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser er niet in is geslaagd om te onderbouwen dat hij het risico loopt om deze ervaringen bij een terugkeer naar Kroatië mee te maken als Dublinclaimant. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser eveneens niet heeft onderbouwd dat hij zich bij eventuele problemen niet zou kunnen wenden tot de Kroatische autoriteiten. Wat betreft de gestelde detentie en het feit dat eiser zijn vingerafdrukken moest afgeven, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat niet is gebleken of is onderbouwd door eiser dat de Kroatische autoriteiten daarmee hebben gehandeld in strijd met hun internationale verplichtingen.
6.3.
Verweerder heeft zich zodoende op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
7. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. Verweerder heeft met betrekking tot deze bevoegdheid beleid gemaakt. In paragraaf C2/5 van de Vc 2000 [9] staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als “bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.” Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.1.
Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025 [10] dat als verweerder omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij voor de ontvangende lidstaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld eerdere ervaringen van de vreemdeling met de behandeling die hij heeft ondergaan in de ontvangende lidstaat of een gebrek aan toegang tot zorg in de lidstaat.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Kroatië al zijn betrokken bij de beoordeling of kon worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Zodoende is geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank betrekt daarbij verder dat eiser niet nader heeft onderbouwd met (medische) documenten dat is gebleken van (ernstige) psychische gevolgen van zijn gestelde ervaringen in Kroatië of dat anderszins sprake is van een (medische) situatie waardoor eiser in Nederland zou moeten blijven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop is er geen aanleiding om een voorlopige
voorziening te treffen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in zaaknummer NL26.13519:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL26.13520:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid
van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan
een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het
hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak
is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat
de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een
tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige
voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Zoals in de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4664, 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5076, 6 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:919 en 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3901.
9.Vreemdelingencirculaire 2000.