Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist op zijn asielaanvraag van 7 februari 2025. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde aanvullende termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij legt de minister op om alsnog binnen een termijn van zestien weken, te rekenen vanaf de dag na de bekendmaking van deze uitspraak, een besluit te nemen. Deze termijn is gebaseerd op het door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gehanteerde ‘8+8 wekenmodel’.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-.
De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier A.W. Landman, en is zonder zitting uitgesproken. Eiser krijgt hiermee gelijk en de minister wordt verplicht binnen de gestelde termijn te beslissen, onder dreiging van een dwangsom.