Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14924

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.52345
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken procesbelang na remigratie

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af op basis van een negatief advies van het UWV. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om gedurende de bezwaarprocedure in Nederland te mogen verblijven en werken.

De voorzieningenrechter beoordeelde het procesbelang van verzoeker. Uit het dossier bleek dat verzoeker op 27 januari 2026 was geremigreerd naar China, hetgeen door zijn advocaat werd bevestigd. Hierdoor was het doel van het verzoek, namelijk verblijf en arbeid in Nederland tijdens de bezwaarprocedure, komen te vervallen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker geen procesbelang meer had bij het verzoek om voorlopige voorziening. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na remigratie naar China.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.52345
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

geboren op [geboortedag] 1981, van Chinese nationaliteit
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.R. Vink).

Procesverloop

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor de verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 september 2025 afgewezen omdat het UWV [1] negatief heeft geadviseerd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om gedurende de bezwaarprocedure in Nederland te mogen verblijven en werken.
De minister heeft de voorzieningenrechter laten weten zich te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening en heeft gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich met voorafgaand bericht afgemeld voor de zitting. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overweging

1. Omdat de minister stelt dat verzoeker geen procesbelang heeft bij zijn verzoek, moet de voorzieningenrechter eerst het procesbelang beoordelen.
1.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [2] blijkt dat procesbelang het belang is dat een vreemdeling heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de vreemdeling voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Procesbelang is er niet als ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. [3]
2. Uit het meldingsformulier voor arbeidsgerelateerde verblijfsdoelen dat de minister in het digitale dossier heeft geüpload, blijkt dat verzoeker op 27 januari 2026 is geremigreerd naar China. De advocaat-gemachtigde heeft dit per bericht op 18 maart 2026 aan de voorzieningenrechter bevestigd.
2.1.
Gelet op het voorgaande overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker geen belang meer heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt er immers toe dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure in Nederland mag verblijven en mag blijven werken. Door verzoekers remigratie naar China is ieder belang bij het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening komen te vervallen.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
4. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraken van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1788, van 23 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1989 en van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2531.