Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14956

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.26153
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 18 lid 1 onder d DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Somalische nationaliteit dragende persoon, diende op 12 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser eerder asielaanvragen in Duitsland had ingediend die waren afgewezen. Duitsland werd verzocht eiser terug te nemen, wat werd geaccepteerd.

Eiser stelde dat hij in Duitsland geen correcte asielprocedure had doorlopen en vreest indirect refoulement naar Somalië. De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt, tenzij sprake is van systematische tekortkomingen, wat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat de Duitse autoriteiten de nieuwe aanvraag zullen behandelen conform Europese richtlijnen en dat eiser zijn klachten in Duitsland moet voorleggen. De vrees voor indirect refoulement kan niet in deze procedure worden beoordeeld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26153

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Somalische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 maart 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 30 maart 2015 en 17 december 2025 asielaanvragen heeft ingediend in Duitsland en dat deze asielaanvragen zijn afgewezen. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening [1] de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De autoriteiten van Duitsland hebben dit verzoek op 10 april 2026 geaccepteerd.
3. Eiser voert aan dat hij in Duitsland geen asielprocedure volgens de daarvoor geldende regels heeft doorlopen en dat verweerder voorafgaand aan een overdracht de verklaringen van eiser over de gang van zaken in Duitsland dient te verifiëren. Eiser vreest dat hij door Duitsland zonder inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag uitgezet zal worden naar Somalië, waar hij te vrezen heeft voor zijn leven. Klagen over de slechte situatie in Duitsland is voor eiser geen optie. Hij is tijdens zijn eerdere verblijf in Duitsland namelijk niet geholpen en de Duitse autoriteiten hebben al te kennen gegeven dat ze hem willen terugsturen naar Somalië.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn unierechtelijke verplichtingen en verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken wanneer in Duitsland sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Het is aan eiser om dat aannemelijk te maken.
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Duitsland sprake is van dergelijke systematische tekortkomingen. De enkele, niet nader toegelichte stelling van eiser dat hij geen asielprocedure volgens de geldende regels heeft doorlopen, is onvoldoende. Dit betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat eiser na overdracht aan Duitsland in overeenstemming met het Europese asielrecht zal worden behandeld. Daarbij komt dat de Duitse autoriteiten met de aanvaarding van het overnameverzoek hebben gegarandeerd dat zij de nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van verplichtingen die voortvloeien uit de Europese asielrichtlijnen en internationale verdragen. Indien eiser meent dat Duitsland daarin tekortschiet, ligt het op zijn weg daarover in Duitsland te klagen. Niet is gebleken dat dat voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Voor zover eiser aanvoert dat hij vreest voor indirect refoulement, kan een beoordeling hiervan niet in deze procedure plaatsvinden. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024. [2]
7. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.