ECLI:NL:RBDHA:2026:1498

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
26.1898
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling en zicht op uitzetting naar Algerije

De minister van Asiel en Migratie legde op 25 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 behandeld en het onderzoek gesloten.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 5 december 2025, het moment van het sluiten van het vorige onderzoek. Eiser stelde dat de minister te laat had gehandeld met betrekking tot de bevestiging van zijn Algerijnse nationaliteit en het boeken van een vlucht. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek, het rappelleren op de lp-aanvraag, en het plannen van een vlucht op 29 januari 2026.

De rechtbank vond geen aanleiding om een lichter middel dan bewaring op te leggen, omdat eiser geen gronden had aangevoerd die daartoe leidden. Ook was er voldoende zicht op uitzetting naar Algerije, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en de bereidheid van de Algerijnse autoriteiten om een laissez-passer te verstrekken.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1898

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Procesverloop

1. De minister heeft op 25 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 december (in de zaak NL25.58120) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 5 december 2025.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat aan hem te laat is medegedeeld dat de autoriteiten van Algerije zijn nationaliteit hebben bevestigd. Uit de M120 volgt dat zijn nationaliteit op 22 november 2025 is bevestigd en er is pas op 9 januari 2026 een vlucht geboekt. Eiser is van mening dat de minister voortvarender te werk had moeten gaan.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige periode een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en een keer schriftelijk op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd. Ook was er een presentatie gepland bij de consulaire vertegenwoordiging van Algerije, maar eiser is hierbij niet verschenen. Tot slot is er op 9 januari 2026 een vluchtaanvraag gedaan en staat er een vlucht gepland voor 29 januari 2026. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend en volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister eerder een vlucht had moeten aanvragen. Eiser heeft verzocht om een presentatie bij de consulaire vertegenwoordiging van Algerije en de minister heeft deze presentatie mogen afwachten alvorens verdere uitzettingshandelingen te verrichten. Dat eiser niet op de presentatie is verschenen doet hier niet aan af. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
5. Ook ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [1] van 6 mei 2024 en 27 februari 2025, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [2] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De Algerijnse autoriteiten hebben bovendien aangegeven een lp aan eiser te willen verstrekken.
6.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [3]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Zie de uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
3.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).