Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14988

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.20490
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 DublinverordeningArtikel 4 EU-HandvestArtikel 8:57 Algemene wet bestuursrechtArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk op grond van Dublinverordening

Eiser diende op 4 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag op 10 april 2026 niet in behandeling, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat Nederland het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kon toepassen vanwege risico's op straatzetting in Frankrijk en problemen met toegang tot opvang.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mede omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit standpunt bevestigt. De verwijzing naar het AIDA-rapport en de stelling dat eiser zonder documenten moeilijker toegang zou krijgen tot opvang in Frankrijk zijn onvoldoende onderbouwd. Daarnaast kan eiser zich bij problemen tot de Franse autoriteiten wenden.

Eiser voerde ook aan dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden wegens onevenredige hardheid, omdat hij als homoseksueel in Nederland veilig wil leven. De rechtbank stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Frankrijk tot onevenredige hardheid leidt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20490

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 4 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister voor Frankrijk niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser volgt uit het AIDA-rapport (update 2024 van juni 2025) dat Dublinclaimanten bij terugkeer vanwege tekorten aan opvangplaatsen een groot risico lopen om op straat te komen. Eiser voert aan dat dit in strijd is met artikel 4 van Pro het EU Handvest. Daarnaast voert eiser aan dat zijn documenten in Nederland zijn gestolen, waardoor hij moelijker toegang zal krijgen tot de opvang- en asielprocedure in Frankrijk.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat hij voor Frankrijk nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [3] De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd, geen reden om hier anders over te oordelen. Een algemene verwijzing naar het AIDA-rapport is daarvoor onvoldoende. Daarbij betrekt de rechtbank dat de Afdeling dit AIDA-rapport ook heeft betrokken bij de beoordeling of voor Frankrijk nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [4] De niet onderbouwde stelling van eiser dat hij zonder documenten moeilijker toegang zal krijgen tot de opvang- en asielprocedure in Frankrijk maakt het oordeel niet anders. Eiser wordt namelijk in het kader van de Dublinverordening gereguleerd overgedragen. Daarnaast stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser zich bij eventuele problemen kan wenden tot de Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Franse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
Had de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening moeten toepassen?
5. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag aan zich moet trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat overdracht aan Frankrijk leidt tot onevenredige hardheid. Hij voert aan dat het Franse visum enkel bedoeld was om naar Nederland te reizen, omdat hij als homoseksueel hoopt hier veilig te kunnen leven.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk zou leiden tot onevenredige hardheid. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser daar niet in is geslaagd. De enkele opmerking dat hij als homoseksueel veilig in Nederland wil leven, is daarvoor onvoldoende. Niet is gebleken dat hij in Frankrijk geen bescherming kan krijgen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.
4.Zie de uitspraak van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.