Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15090

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
AWB 26 1482 en 26 1480
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3 EVRMRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluiten en inreisverboden wegens onvoldoende motivering actuele bedreiging openbare orde

Eisers, geboren in Nederland met dubbele nationaliteit, zijn veroordeeld voor voorbereidingen van een terroristisch misdrijf en kregen hun Nederlanderschap ingetrokken, waarna terugkeerbesluiten en inreisverboden voor twintig jaar werden opgelegd. Eisers stelden beroep in tegen deze besluiten en voerden aan dat de besluiten prematuur waren en onvoldoende rekening hielden met hun gedragsverandering en familiebelangen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat eisers een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormden, zoals vereist onder het Unierecht. Verweerder had zich onterecht beperkt tot de veroordelingen en het einde van de proeftijd, zonder recente persoonlijke omstandigheden mee te wegen.

De rechtbank vernietigde de terugkeerbesluiten, inreisverboden en signaleringen wegens strijd met het motiveringsvereiste van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van €1.868. De rechtbank wees erop dat bij eventuele nieuwe besluiten de motivering van deze uitspraak in acht moet worden genomen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de terugkeerbesluiten en inreisverboden wegens onvoldoende motivering van een actuele bedreiging voor de openbare orde en veroordeelt verweerder in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/1482 en AWB 26/1480

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , eiser 1, V-nummer: [V-nummer 1] , en

[eiser 2], eiser 2, V-nummer: [V-nummer 2]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. J.V. de Kort en mr. S.J. Maertzdorf).

Inleiding

In twee afzonderlijke besluiten van 19 december 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder tegen eisers terugkeerbesluiten en inreisverboden voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd, en heeft verweerder eisers gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op een zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
1. Eisers zijn geboren in Nederland op respectievelijk [geboortedag 1] 1988 en [geboortedag 2] 1992. Zij hebben door geboorte de Marokkaanse nationaliteit. Daarnaast hebben zij met het Koninklijk Besluit van 9 december 2003 ook de Nederlandse nationaliteit verkregen door medenaturalisatie met hun vader.
2. In twee vonnissen van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam van 11 oktober 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:7972 en ECLI:NL:RBROT:2019:7973) is aan eisers een gevangenisstraf opgelegd van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Eisers zijn veroordeeld voor het zich opzettelijk inlichtingen verschaffen en/of trachten te verschaffen en zich kennis verwerven tot het plegen van een misdrijf ter voorbereiding van een terroristisch misdrijf, zoals bedoeld in artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht.
3. Vanwege deze veroordelingen heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid [1] bij twee afzonderlijke besluiten van 19 december 2024 het Nederlanderschap van eisers ingetrokken, na voorafgaande voornemens daartoe waarop eisers met zienswijzen en aanvullende zienswijzen hebben gereageerd. Daarmee zijn eisers vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 geworden.
4. Op dezelfde dag heeft verweerder bij de bestreden besluiten tegen eisers terugkeerbesluiten en inreisverboden voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd, en heeft verweerder eisers gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem. Ook deze besluiten zijn voorafgegaan door voornemens, waarop eisers met zienswijzen en aanvullende zienswijzen hebben gereageerd.
5. Tegen de intrekkingen van het Nederlanderschap hebben eisers eerst bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bezwaar gemaakt, en vervolgens na ongegrondverklaring daarvan beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (BRE 25/5409 RWNL en BRE 25/5473 RWNL). Deze beroepen zijn eveneens op de zitting van 30 april 2026 behandeld.
Standpunten
6. In de bestreden besluiten stelt verweerder zich op het standpunt dat, nu het Nederlanderschap van eisers is ingetrokken, zij geen Unieburger meer zijn, het rechtmatig verblijf in Nederland is geëindigd en zij geen verblijfsrecht in een andere EU [2] -lidstaat hebben, zij Nederland en de EU moeten verlaten omdat eisers gelet op de veroordelingen een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen voor de fundamentele belangen van de samenleving. De proeftijd van eisers is op 21 maart 2024 geëindigd. Dat zij sindsdien niet meer in aanraking zijn gekomen met politie en justitie betekent niet dat deze bedreiging niet meer actueel is, omdat bij terroristische misdrijven lang van de actualiteit van de bedreiging mag worden uitgegaan. De door eisers overgelegde rapportages van de Reclassering dateren van vóór het einde van de proeftijd. Daaruit is niet gebleken van deradicalisering noch dat een start is gemaakt met resocialisatie. Voorts is daarmee niet onderbouwd dat zij afstand hebben genomen van het gedachtegoed. Verder hebben eisers geen stukken overgelegd en is er geen sprake van bijzondere omstandigheden. Hiernaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten weliswaar een inmenging vormen op het recht op familie- en privéleven van eisers, maar dat deze inmenging in het belang van de openbare orde gerechtvaardigd is.
7. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Zij voeren aan dat de bestreden besluiten prematuur genomen zijn omdat de intrekking van hun Nederlanderschap nog onderhevig is aan bezwaar. Daarnaast voeren zij aan dat zij geen actuele bedreiging voor de samenleving zijn, onder verwijzing naar de aan hen opgelegde relatief lage straf en het rapport van de reclassering waaruit van resocialisatie en daarmee deradicalisering blijkt. Verweerder heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan door geen zienswijzegehoor te houden, de door eisers overgelegde stukken niet in de beoordeling te betrekken en door niet te kijken naar de positieve gedragsverandering in de periode na de veroordelingen. Eisers beroepen zich hierbij op het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Verder voeren eisers aan dat de bestreden besluiten niet evenredig zijn zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285, ‘Harderwijk’). Eisers voeren aan dat hieruit voortvloeit dat de inmenging op hun familie- en gezinsleven niet gerechtvaardigd is, en dat hierbij te weinig rekening is gehouden met de belangen van hun Nederlandse minderjarige kinderen en de vraag of zij praktisch uitzetbaar zijn. Tot slot hebben eisers aangevoerd dat zij bij terugkeer naar Marokko het risico lopen op willekeurige arrestatie en detentie, een oneerlijk proces en marteling nu zij voor een terroristisch misdrijf zijn veroordeeld. Dit levert een schending op van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
8. Verweerder stelt in de verweerschriften dat de bestreden besluiten juist zijn. Omdat eisers op de datum van de bestreden besluiten geen Nederlander meer waren, is geen sprake van premature besluiten. In de bestreden besluiten is voldoende toegelicht waarom eisers een actuele bedreiging vormen. Omdat een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd aan derdelanders zonder rechtmatig verblijf, bestaat er in zoverre geen ruimte voor een evenredigheidstoetsing. De inreisverboden zijn in het geval van eisers evenredig omdat die noodzakelijk zijn om de samenleving te beschermen, en omdat minder ingrijpende alternatieven niet voorhanden zijn. Vanwege het belang van de openbare orde is geen sprake van strijd met het recht op familie- en privéleven. Met de belangen van de kinderen is rekening gehouden en er bestaat in algemene zin zicht op uitzetting naar Marokko.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Premature besluiten?
9. Omdat eisers op het moment van de bestreden besluiten door de intrekking van hun Nederlanderschap geen Nederlander meer waren, waren zij op dat moment illegaal in Nederland verblijvende derdelanders. Artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG) brengt dan mee dat een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd. In zoverre is dan ook geen sprake van premature besluiten.
10. Voor zover eisers in de gronden van beroep hebben betoogd dat deze bepaling zich verzet tegen het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, nu eisers bij terugkeer naar Marokko een reëel risico op ernstige schade lopen zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM, hebben zij deze beroepsgrond ter zitting laten vallen. De rechtbank ziet overigens ook ambtshalve daarvoor geen aanleiding (arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024 in de zaak [naam] , ECLI:EU:C:2024:892). Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om Marokkanen uit te zetten die voor een terroristisch misdrijf zijn veroordeeld. Hierbij acht de rechtbank van belang dat niet gebleken is dat het zich verschaffen van gegevens over de voorbereiding van een terroristisch misdrijf ook in Marokko als een terroristisch misdrijf wordt beschouwd. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat volgens de rechtspraak van de Afdeling op dit moment in algemene zin sprake is van zicht op uitzetting naar Marokko, en dat verweerder tijdens de zitting van 30 april 2026 heeft meegedeeld dat er recentelijk in ieder geval één voor terrorisme veroordeelde Marokkaan met succes is uitgezet.
11. De rechtbank overweegt het volgende over de vraag of vanwege het actualiteitscriterium van de bestreden besluiten had moeten worden afgezien.
Het Unierechtelijke openbare ordecriterium
12. Het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de signalering zijn instrumenten uit het Europese Unierecht (de Terugkeerrichtlijn en de SIS-Verordening 2018/1861). Als de grondslag hiervoor het belang van de openbare orde is, moet dan ook worden uitgegaan van wat daaronder binnen het Unierecht wordt verstaan. Dit betekent dat de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging moet vormen voor de fundamentele belangen van de samenleving.
13. In de rechtspraak van het HvJ EU is uiteengezet hoe aan dit criterium moet worden getoetst. Dat een derdelander wordt verdacht van, of is veroordeeld voor, het plegen van een feit dat naar nationaal recht als misdrijf strafbaar is gesteld, is onvoldoende voor de onderbouwing dat aan het Unierechtelijke openbare ordecriterium is voldaan. Verweerder moet onderzoeken of de persoonlijke gedragingen van de betrokkene op het moment van besluitvorming een daadwerkelijk en actueel gevaar vormen voor de openbare orde. Verweerder moet bij deze beoordeling alle feitelijke en juridische gegevens betrekken die zien op de individuele situatie van de betrokkene in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Ook moet verweerder in acht nemen dat deze gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die door de strafrechter zijn beoordeeld. Het resultaat van deze beoordeling moet blijken uit de motivering van de besluitvorming. Als de betrokkene voorafgaande omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet verweerder aanvullend motiveren waarom die omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank verwijst hierbij onder andere naar het arrest van het HvJ EU van 11 juni 2015 in de zaak Z.Zh. en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377) en de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3579).
14. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eisers een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen voor de fundamentele belangen van de samenleving. Verweerder heeft immers niet mogen volstaan met een terugverwijzing naar de veroordelingen van 11 oktober 2019 en de enkele vaststelling dat de proeftijd van eisers op 21 maart 2024 is geëindigd. Dit is gelet op het beoordelingskader onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een actuele bedreiging. Verweerder heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het op de weg van eisers zou liggen om het tegendeel aannemelijk te maken. Verder heeft verweerder zich ten onrechte beperkt tot de overwegingen dat de door eisers overgelegde stukken dateren van vóór het einde van de proeftijd en niet aantonen dat zij zijn gederadicaliseerd. Daarmee heeft verweerder namelijk niet beoordeeld in hoeverre eisers gelet op het geheel van persoonlijke omstandigheden op het moment van de besluitvorming, ruim vijf jaar na de veroordelingen, nog aan te merken zijn als een actuele bedreiging.
Conclusie en gevolgen
15. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen gegrond moeten worden verklaard en dat de terugkeerbesluiten, inreisverboden en signaleringen moeten worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van Pro de Awb. Al deze besluitonderdelen berusten namelijk op het ondeugdelijk gemotiveerde standpunt van verweerder dat eisers een actueel gevaar voor de openbare orde vormen. In aanvulling hierop kan ook het standpunt van verweerder dat de inbreuk op het familie- en privéleven van eisers gerechtvaardigd is vanwege de openbare orde niet overeind blijven.
16. Omdat na vernietiging van de bestreden besluiten geen bezwaarschriften of aanvragen openvallen, vindt daarmee in dit geval in zoverre finale geschilbeslechting plaats. Een opdracht om nieuwe besluiten te nemen, of een andere aanvullende voorziening, is dan ook niet nodig. Wel merkt de rechtbank op dat in de uitspraak van vandaag van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in de zaken met nummers BRE 25/5409 RWNL en BRE 25/5473 RWNL is geoordeeld dat de minister van Justitie en Veiligheid opnieuw moet beslissen op de bezwaarschriften van eisers tegen de intrekking van hun Nederlanderschap. Indien en voor zover deze intrekkingen zouden worden gehandhaafd en verweerder opnieuw vergelijkbare besluiten zou nemen, wordt hem met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opgedragen om daarbij deze uitspraak in acht te nemen.
17. In de gegrondverklaring van de beroepen ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Hierbij is sprake van twee samenhangende beroepschriften zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Bpb.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart de beroepen gegrond;
 vernietigt de bestreden besluiten van 19 december 2024;
 veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. A.C.J. van Dooijeweert en mr. W.H. Bel, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Naturalisatie behoort inmiddels tot de portefeuille van de minister van Justitie en Veiligheid.
2.Europese Unie