ECLI:NL:RBDHA:2026:15109

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.6822
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 lid 1 onder b Vreemdelingenwet 2000Art. 15c Kwalificatierichtlijnparagraaf C7/33 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering en niet betrekken ambtsbericht bij afwijzing asiel Syrië

Eiser, een Koerdische Syriër die vreest voor discriminatie, vervolging vanwege afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom, diende een asielaanvraag in die door verweerder werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing.

De rechtbank constateerde dat verweerder het meest recente Algemeen Ambtsbericht Syrië 2026 niet had betrokken bij de besluitvorming, wat een zorgvuldigheidsgebrek vormt. Tevens was de motivering van de toepassing van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn onvoldoende, met name ten aanzien van de specifieke situatie in de wijk waar eiser vandaan komt.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de individuele omstandigheden van eiser niet leiden tot een verhoogd risico op ernstige schade. Daarom is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak en de meest actuele landeninformatie. Verweerder is tevens veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6822

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. van Kuijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (afgekort: Vw). Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank over deze zaak.
1.1.
Onder 2 staat het procesverloop in deze beroepszaak. Onder 3 staat een beschrijving van het asielrelaas van eiser en onder 4 een korte weergave van de besluitvorming door verweerder. Vanaf 5 volgt een weergave van de beroepsgronden van eiser en vanaf 7 volgt het oordeel van de rechtbank. Aan het eind van deze uitspraak volgt de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend in Nederland.
2.1
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.2
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.A.H. Ahmed als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979, heeft de Syrische nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser is afkomstig uit de wijk [wijk] in [plaats 1] in de provincie Aleppo in Syrië en heeft tot 2018 gewoond in [plaats 2] in de provincie Aleppo.Eiser heeft Syrië in 2023 legaal verlaten en is via Libanon en Dubai het grondgebied van de Europese Unie ingereisd in Frankrijk. Eiser is vervolgens met de trein via België naar Nederland gereisd en heeft hier asiel aangevraagd. Eiser is gehuwd en heeft drie kinderen die momenteel nog in Aleppo in Syrië verblijven.
3.1
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit. Eiser vreest bij terugkeer naar [wijk] in [plaats 1] dat hij vanwege eerdere samenwerking met Koerdische partijen problemen krijgt met de huidige machthebbers Hamzat en Al Amshat. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij door deze machthebbers gezocht wordt vanwege deelname in een verzoeningscomité. Eiser vreest bij terugkeer ook dat hij gedood wordt vanwege zijn afvalligheid van de islam. Eiser leeft openlijk als christen in Nederland en vreest bij terugkeer naar Syrië ook vanwege zijn bekering tot het christendom.
Wat heeft verweerder besloten?
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
discriminatie vanwege Koerdische etniciteit;
afvalligheid van de islam;
bekering tot het christendom.
4.1
Eiser zijn identiteit, nationaliteit en afkomst is geloofwaardig geacht, omdat hij deze met objectieve documenten heeft onderbouwd.
4.2
Ook heeft verweerder de discriminatie van eiser als Koerd en zijn afvalligheid van de islam geloofwaardig geacht. Verweerder heeft eiser zijn bekering tot het christendom in het kader van de pilot ‘afdoen op zwaarwegendheid’ niet op geloofwaardigheid beoordeeld.
4.3
De asielaanvraag van eiser is afgewezen als ongegrond, omdat eiser op basis van de geloofwaardig geachte asielmotieven niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling is of bij terugkeer naar [plaats 1] een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.4
Zo is niet aannemelijk gemaakt dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege discriminatie van Koerden bij terugkeer naar [plaats 1] in Syrië. Verweerder heeft daarbij betrokken dat uit landeninformatie [1] niet is gebleken dat Koerden in het algemeen een verhoogd risico lopen in Syrië en dat om die reden Koerden ook niet als risicoprofiel zijn opgenomen in het landgebonden beleid [2] voor Syrië. Ook heeft verweerder in dit kader gewezen op een rapport [3] over de specifieke situatie van de Koerden in Syrië. Daarbij is uit het relaas van eiser ook niet gebleken dat hij vanwege discriminatie van Koerden zodanig ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Niet gebleken is namelijk dat eiser als Koerd niet kan wonen en werken in Syrië, dat hij uitgesloten is geweest van onderwijs of zorg, of anderszins ernstige repressie heeft ondervonden vanwege zijn afkomst.
4.5
Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Syrië vanwege zijn afvalligheid. Uit het Algemeen Ambtsbericht van 2025 [4] en de landeninformatie van EUAA blijkt weliswaar dat afvalligen verstoting binnen de eigen gemeenschap kunnen ervaren, maar niet dat afvalligen van overheidswege worden vervolgd. Hierbij is ook betrokken dat uit landeninformatie volgt dat de overgangsregering van HTS geen strenge islamitische leefregels heeft geïntroduceerd en dat ook niet anderszins van bestraffing of andere vormen van vervolging in Syrië is gebleken vanwege het niet praktiseren van een geloofsovertuiging. Daarbij geldt ook dat eiser niet heeft onderbouwd hoe hij zijn afvalligheid geuit heeft of wenst te uiten en dat om die reden ook niet op individuele gronden vervolging aannemelijk is gemaakt.
4.6
Los van de vraag of de bekering van eiser tot het christendom geloofwaardig is, heeft verweerder geconcludeerd dat gegronde vrees voor vervolging vanwege bekering tot het christendom voor eiser niet aannemelijk is. Zo zijn er geen omstandigheden gebleken uit landeninformatie op basis waarvan vervolging van christenen in Syrië kan worden aangenomen. Verweerder heeft daarbij betrokken dat uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië uit 2025 volgt dat kerken geopend waren in de verslagperiode, dat christelijke feestdagen openlijk gevierd mochten worden en dat HTS zich uitgesproken heeft voor het beschermen van de rechten van minderheidsgroepen, onder andere christenen. Nu er geen specifiek landenbeleid gevoerd wordt voor christenen in Syrië, is onvoldoende aannemelijk dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer.
4.7
Daarnaast heeft verweerder geconcludeerd dat eiser ook geen recht heeft op een asielvergunning vanwege artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (Kri). Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië momenteel en eiser heeft niet met individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt op ernstige schade. Verweerder verwijst daarvoor naar het meest recente AAB Syrië en de Kamerbrief, inclusief de Beslisnota inzake beleidswijzing 15c ten aanzien van Syrië.
4.8
Tot slot heeft verweerder in het asielrelaas van eiser ook geen aanleiding gezien voor het ambtshalve verlenen van nareis, een reguliere verblijfsvergunning of uitstel van vertrek om medische redenen. Aan eiser is een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Syrië, met een termijn van vier weken uitgereikt.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
5. Eiser voert in beroep ten eerste aan dat verweerder het meest recente Algemeen ambtsbericht Syrië (afgekort: AAB) van januari 2026 [5] niet heeft betrokken bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser, ondanks het daartoe strekkende expliciete verzoek. Dit meest recente ambtsbericht bevat relevante informatie voor de beoordeling van eiser zijn aanvraag en het niet uitstellen van de besluitvorming wringt dan ook eens te meer, nu het ambtsbericht op zeer korte termijn werd verwacht en gepubliceerd is op de dag dat het bestreden besluit werd bekendgemaakt.
5.1
Ook heeft verweerder de beoordeling van artikel 15c Kri ondeugdelijk gemotiveerd in dit geval. Eiser wijst daarbij op een uitspraak [6] van de Afdeling, waaruit volgt dat humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen van een actor in een gewapend conflict globaal betrokken moet worden in de 15c-beoordeling. Eiser wijst ook op een uitspraak [7] van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin is geoordeeld dat de beoordeling van artikel 15c ten aanzien van Syrië ondeugdelijk is gemotiveerd. Eiser wijst erop dat uit het meest recente AAB 2026 over Syrië volgt dat in [plaats 1] nog steeds sprake is van een zeer hoog aantal geweldsincidenten en dat specifiek in de wijk [wijk] , die onder controle staat van de SDF, en waar eiser vandaan komt, er sprake is van toenemende spanningen. Verweerder heeft dit niet meegewogen in de beoordeling van het 15c-risico voor eiser.
5.2
De conclusie van verweerder over gegronde vrees voor vervolging vanwege eiser zijn Koerdische etniciteit is vervolgens ondeugdelijk gemotiveerd en onnavolgbaar. Uit AAB 2026 volgt dat Koerden bij terugkeer naar [plaats 1] te maken hebben met geweld, intimidatie, willekeurige arrestaties, plundering, bezetting van hun gebieden en vernietiging van olijfbomen. Koerden krijgen bij terugkeer naar dit gebied geen veiligheids- en rechtsgaranties en de formele erkenning van Koerden door de overgangsregering leidt niet tot effectieve bescherming. Hierdoor is sprake van ernstige beperkingen in de bestaansmogelijkheden van Koerden, die leiden tot gegronde vrees voor vervolging.
5.3
Verweerder heeft ook ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn afvalligheid. Uit paragraaf 3.1.2 van AAB Syrië 2026 volgt dat er een taboe bestaat op het openlijk uiten van afvalligheid in Syrië. Ook wijst eiser op bijlage 10 bij de beroepsgronden, waarin een brief van een Syrische mensenrechtenexpert is opgenomen, die verklaart dat de overgangsregering van HTS geen bescherming kan bieden tegen uitsluiting, bedreiging en geweld tegen afvalligen.
5.4
Ten aanzien van de christelijke bekering van eiser wordt gewezen op bronnen van USCIRF [8] en mensenrechtenexpert [naam] , beiden van maart 2026, waaruit volgt dat bekeerde christenen geen bescherming krijgen van de autoriteiten, dat er een groot taboe heerst op het uiten van christendom.
5.5
Ook heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen vrees voor vervolging of ernstige schade heeft bij terugkeer vanwege betrokkenheid bij de verzoeningscommissie in [wijk] .
6. Verweerder heeft op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eiser en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Algemeen Ambtsbericht 2026
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte de inhoud van het meest recente AAB 2026 Syrië niet heeft betrokken bij de beoordeling van eiser zijn asielaanvraag. Dit is een zorgvuldigheidsgebrek en reeds hierom is het beroep gegrond.
7.1
In het navolgende zal de rechtbank per beroepsgrond beoordelen of met de aanvullende motivering in het verweerschrift en de mondelinge toelichting op de zitting verweerder alsnog een afdoende motivering heeft gegeven voor het niet betrekken van deze landeninformatie bij de besluitvorming op deze asielaanvraag.
Artikel 15c Kri
8. Artikel 15 van Pro de Kri gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict dusdanig hoog is dat de vreemdeling alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze zogenoemde ‘meest uitzonderlijke situatie’ wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden.
8.1
Artikel 15c van de Kri kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming [9] .
8.2
Bij de beoordeling of er sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15c Kri valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers [10] . De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken [11] . Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling [12] .
8.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval de conclusies over artikel 15c Kri, ook met het verweerschrift en de toelichting ter zitting, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Ten eerste is niet duidelijk of [plaats 1] of [plaats 2] als plaats van bestendig verblijf voor eiser kan worden aangemerkt en naar welke van deze twee plaatsen terugkeer van eiser is beoogd. Dit terwijl uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat dit een relevant criterium is voor de beoordeling van artikel 15c Kri. Hoewel verweerder daarbij uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 heeft kunnen concluderen dat ook in [plaats 1] een dalende trend van geweldsincidenten gedurende 2025 is beschreven, volgt uit ditzelfde Ambtsbericht niet dat dit geldt voor de wijk [wijk] waar eiser uit afkomstig is. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat in dit gebied sprake is van oplopende spanningen en geweldsincidenten tussen het Syrische leger en SDF, waarbij gevechten met zwaar materieel tussen de strijdende partijen oplaaiden, en waarbij [wijk] tot ‘gesloten militaire zone’ werd verklaard waarin alle militaire posities in deze wijk legitieme doelen waren. Voor deze specifieke aspecten van de 15c beoordeling van één van de twee mogelijke bestemmingen van terugkeer van eiser is noch in het verweerschrift, noch ter zitting van een kenbare en sluitende motivering voorzien. Nu ten aanzien van de tweede mogelijke plaats van terugkeer, namelijk [plaats 2] , al überhaupt geen met bronnen onderbouwde beoordeling van artikel 15c Kri is gemaakt, noch in het verweerschrift, noch op de zitting, missen beide plaatsen van terugkeer van eiser een kenbaar gemotiveerde beoordeling van artikel 15c Kri.
8.4
Nu het aan verweerder is om een dergelijke op het individuele geval van eiser toegespitste beoordeling van artikel 15c Kri te maken, dient verweerder alleen daarom al opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen.
8.5
De overige beroepsgronden behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting en zal verweerder opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen en daarbij deze uitspraak en de meest actuele landeninformatie over [plaats 1] , Syrië in acht te nemen.
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1) vanwege de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand. Omdat eiser op toevoeging is bijgestaan, dient verweerder dit bedrag aan de gemachtigde van eiser te betalen.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van €1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld staan.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verwezen is naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het EUAA Country Guidance Rapport Syria uit 2025.
2.Zie paragraaf C7/33 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (afgekort: Vc).
3.UK Government Country Policy and Information note Syria: Kurds and Kurdisch Area, juli 2025.
4.Algemeen Ambtsbericht Syrië van het ministerie van Buitenlandse Zaken, mei 2025.
5.Algemeen Ambtsbericht Syrië van het ministerie van Buitenlandse Zaken, januari 2026.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
7.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, 30 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14097.
8.United States Commission on International Religious Freedom – annual report 2026.
9.Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).
10.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).
11.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
12.Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, rechtsoverweging 7.2.