Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een machtiging voor voorlopig verblijf van 30 april 2024.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet binnen de door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State opgelegde termijn heeft beslist, terwijl geen herstel van verzuimen of nader onderzoek is geboden. Hierdoor is het beroep kennelijk ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- opgelegd voor het geval de minister deze termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 233,50, rekening houdend met een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.