Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15389

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL25.27243
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000Art. 3.109e, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8:47, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somalische vreemdeling wegens ongeloofwaardige vrees voor Al Shabaab

Eiser, een Somalische nationaliteit behorend tot de Dir-bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij en zijn familie werden bedreigd door Al Shabaab, waarbij zijn vader werd gedood en hijzelf werd aangevallen na weigering tot samenwerking. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de vrees voor Al Shabaab.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de medische klachten van eiser onvoldoende waren onderbouwd om het referentiekader van de minister te wijzigen. Ook vond de rechtbank dat het gedrag van eiser niet strookte met zijn gestelde vrees, onder meer omdat hij terugkeerde naar een gebied dat hij vermeed en onvoldoende voorzorgsmaatregelen nam.

Verder werden tegenstrijdigheden in verklaringen over contact met familieleden en de aanval door Al Shabaab niet overtuigend weggenomen. Het verzoek om een forensisch medisch onderzoek werd afgewezen omdat dit geen wezenlijke bijdrage zou leveren aan de geloofwaardigheid.

De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt, mede omdat zijn woonplaats Qoryooly onder controle van de overheid staat en niet direct onder Al Shabaab. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27243

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Pals),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 mei 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar in het kader van artikel 64 van Pro de Vw 2000 [1] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de bevolkingsgroep Dir. Eiser heeft verklaard dat zijn vader is benaderd door Al Shabaab. Zij wilden dat de vader van eiser zou gaan spioneren, spullen voor hen in zijn winkel zou opslaan en dat hij of een van zijn zoons zich bij hen zou aansluiten. Eiser is door zijn vader gewaarschuwd voor Al Shabaab. De vader van eiser is, nadat hij op een dag naar de moskee ging, niet meer teruggekomen. Eiser heeft vernomen dat zijn vader zich moest melden bij Al Shabaab en daarna om het leven is gebracht. Vervolgens heeft eiser samen met zijn moeder het uitbaten van de winkel van zijn vader voortgezet. Eiser is na acht maanden benaderd door Al Shabaab om met hen samen te werken. Het samenwerken hield in dat eiser voor hen zou spioneren en spullen in de winkel zou opslaan. Eiser heeft dit vervolgens geweigerd, waarna hij is aangevallen door Al Shabaab. Eiser is ontkomen en daarna gevlucht naar zijn zus. Na een medische behandeling heeft eiser Somalië verlaten. Eiser vreest bij terugkeer daarom voor Al Shabaab.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Problemen met Al Shabaab.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Daarentegen acht de minister de problemen met Al Shabaab niet geloofwaardig. De minister stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [2] De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is en bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Referentiekader
5. Eiser voert aan dat de minister uitgaat van een onjuist dan wel onvolledig referentiekader . Eiser betoogt dat hij ten tijde van het nader gehoor pijn had aan zijn lever wat van invloed is geweest op het vermogen om coherent, consistent en gedetailleerd te verklaren. Eiser geeft aan dat hij zich vaak vermoeid voelt, dat hij pijn heeft in een gedeelte van de lever als hij gaat liggen en dat hij Hepatitis B heeft. Deze klachten waren bovendien al voor het gehoor aanwezig. Hij betoogt verder dat hij tijdens het gesprek met MediFirst, voorafgaand aan de gehoren, deze klachten niet heeft benoemd, omdat hij in de veronderstelling was dat de asielprocedure hierdoor langer zou duren. Eiser betoogt daarnaast dat hij deze klachten tijdens het nader gehoor niet heeft benoemd, omdat hij dacht dat dit niet relevant zou zijn.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het advies van MediFirst van 20 september 2022 leidend is voor het gehoor. Het doel van het medisch advies is immers om medische omstandigheden in kaart te brengen die van invloed zijn op het vermogen om coherent, consistent en gedetailleerd te verklaren tijdens de gehoren bij de IND (oftewel of er beperkingen zijn). MediFirst beoordeelt dus of er beperkingen zijn waar de minister rekening mee dient te houden. De rechtbank stelt vast dat uit dit advies blijkt dat bij eiser geen sprake is van beperkingen voor het horen of beslissen in zijn geval. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het betoog van eiser, namelijk dat hij vanaf 19 juni 2023 al een jaar pijn aan zijn lever had, betekent dat hij ten tijde van de afspraak bij MediFirst op 20 september 2022 deze klachten al had. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet kan worden ingezien dat eiser deze klachten niet tijdens het gesprek met MediFirst naar voren heeft gebracht. De minister kon dus niet op de hoogte zijn van de klachten van eiser en hoefde daarom tijdens het nader gehoor daarmee geen rekening te houden. Daarnaast is tijdens het nader gehoor bij aanvang [3] en na de eerste pauze [4] gevraagd of het goed met hem ging. Ook is aan eiser gevraagd of hij lichamelijk en geestelijk in staat is om het gehoor te doen, waarop hij bevestigend heeft geantwoord. [5] Eiser heeft noch aangegeven dat hij pijnklachten had noch dat hij daardoor niet kan verklaren. De rechtbank volgt daarom de minister in het standpunt dat uit de stelling van eiser dat hij ten tijde van het gehoor pijn had onvoldoende volgt dat hij daardoor niet coherent, consistent en gedetailleerd kon verklaren. De rechtbank ziet verder ook niet in op welke wijze de minister is uitgegaan van een onjuist dan wel onvolledig referentiekader. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De problemen met Al Shabaab
Handelen komt niet overeen met gestelde vrees
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte concludeert dat zijn terugkeer naar Qoryooly vanuit Mogadishu niet overeenkomt met de gestelde vrees voor Al Shabaab aldaar. Eiser betoogt dat hij ten tijde van het ophalen van het visum in Mogadishu van Al Shabaab tijd had gekregen om na te denken. Daarom kon hij relatief veilig terugkeren uit Mogadishu. Eiser betoogt verder dat het mogelijk is om met Al Shabaab te onderhandelen in het geval ze een ruimte nodig hebben en een spion. Eiser voert verder aan dat hij wel degelijk voorzorgsmaatregelen heeft genomen, namelijk door veel minder naar de winkel te gaan.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiser heeft verklaard dat hij naar Mogadishu is gereisd om een visum voor zijn vertrek aan te vragen. Eiser heeft dit gedaan naar aanleiding van een telefoontje van Al Shabaab. De minister stelt zich terecht op het standpunt niet kan worden gevolgd dat hij zich relatief veilig voelde op dat moment, omdat hij immers naar Mogadishu ging om een visum aan te vragen voor zijn vertrek uit Somalië als gevolg van het telefoontje. Daar komt bij dat de vader van eiser was vermoord omdat hij weigerde aan de eisen van Al Shabaab tegemoet te komen, terwijl de broers van eiser zijn gevlucht uit Qoryooly omdat zij in een vechtpartij zijn beland waarvan mogelijk melding bij Al Shabaab zou worden gedaan. Dat eisers broers in tegenstelling tot hem geen gezin hoefden te onderhouden, heeft de minister niet ten onrechte geen afdoende verklaring voor het handelen van eiser geacht. De minister stelt zich, gelet op het voorgaande en gezien de heftige gebeurtenissen in Qoryooly, immers niet ten onrechte op het standpunt dat in de lijn der verwachting ligt dat eiser in Mogadishu zou blijven en niet het risico zou nemen om terug te keren naar Ooryooly. Eiser heeft dat echter wel gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister bovendien niet ten onrechte dat niet wordt ingezien waarom het minder naar de winkel gaan als een voorzorgsmaatregel kan worden gezien. Al Shabaab was immers op de hoogte van de locatie van de winkel. Gelet op het risico lag het in de lijn der verwachting dat eiser uit angst niet naar buiten zou gaan of in ieder geval niet naar een locatie die bij Al Shabaab bekend was, zoals de winkel. Concluderend stelt de minister zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt dat uit het voorgaande blijkt dat het handelen van eiser niet overeenkomt met de gestelde vrees voor Al Shabaab. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Doorvragen
7. Eiser voert aan dat tijdens het nader gehoor onvoldoende is doorgevraagd, omdat er iedere keer in gesprek met hem meer informatie naar boven komt.
7.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat tijdens het nader gehoor onvoldoende is doorgevraagd. Eiser heeft immers niet duidelijk gemaakt op welke punten de minister had moeten doorvragen en welke informatie daarbij naar boven had moeten of kunnen komen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Tegenstrijdige verklaringen familielid ten aanzien van het moment waarop deze hoorde dat eiser weigerde samen te werken met Al Shabaab
8. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het contact met zijn familielid dat bij Al Shabaab is betrokken. Eiser betoogt dat er veel miscommunicatie is over de vraag of zijn familielid van hem zelf zou hebben gehoord dat hij heeft geweigerd zich aan te sluiten bij Al Shabaab. Eiser betoogt daarnaast dat hij tijdens het nader gehoor gevraagd heeft of de vraag herhaald kan worden.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het tijdstip waarop zijn familielid heeft gehoord dat eiser geweigerd had met Al Shabaab samen te werken. Daartoe acht de rechtbank de volgende verklaringen uit het nader gehoor van belang. Over de directe redenen van de asielaanvraag verklaart eiser onder meer het volgende:
“Ik was toen bezig met het regelen van de overdracht van de verantwoordelijkheden. Ik werd gebeld toen door de groep. Zij vroegen mij naar mijn antwoord. Ik heb toen gezegd dat ik het niet wilde en kon doen. Zij hebben toen opgehangen. Later werd ik teruggebeld door iemand uit mijn familie die lid was van hun. Hij kende mijn familie heel goed. Hij kende de broers van mijn vader. Hij zei tegen mij dat hij had gehoord dat ik had geweigerd. Hij zei tegen mij: “Wil jij hetzelfde lot als je vader?” Ik zei tegen hem dat mijn vader dapper was. Ik kan niet met jullie samenwerken. Ik wil niet op mijn geweten hebben dat onschuldige mensen vermoord worden.” [6]
Vervolgens antwoordt eiser op de vraag “Hoeveel tijd heeft er gezeten tussen dit telefoontje en het telefoontje van uw familielid die ook lid is van Al Shabaab?” als volgt:
“Dat was op hetzelfde moment. Ik heb het gesprek gevoerd. Daarna heeft hij het gesprek overgenomen van de anderen. Hij heeft mij toen verteld dat ik beter kan luisteren en anders zou mij hetzelfde overkomen als mijn vader is overkomen.” [7]
Uit het voorgaande blijkt dat eiser eerst duidelijk heeft verklaard dat zijn familielid tegen hem had gezegd dat hij had gehoord dat eiser had geweigerd en dat het dus twee gesprekken waren. Later verklaart eiser echter dat het op hetzelfde moment was en dus zijn familielid hem het had horen zeggen dat hij weigerde. De rechtbank ziet gelet op de expliciete verklaring over wat er is gebeurd niet in dat er – anders dan eiser betoogt – sprake is geweest van een miscommunicatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Inconsistente verklaringen over de activiteiten op de avond van de aanval door Al Shabaab
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de activiteiten op de avond dat hij door Al Shabaab werd aangevallen. Eiser betoogt dat van hem niet kan worden verwacht dat hij in het vrije relaas in een keer alles consistent verklaart. Hij betoogt verder dat hij nuanceringen – en dus geen tegenstrijdigheden – in zijn verklaringen heeft aangebracht. Eiser betoogt verder dat de minister onzorgvuldig handelt door de tegenstrijdige verklaringen over de reisbewegingen van die avond te blijven handhaven, terwijl de tegenstrijdige verklaringen over het verschil in het aantal aanvallers niet langer wordt gehandhaafd. Volgens eiser kan hoofdletsel impact hebben op deze verklaringen.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank werpt de minister eiser terecht tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe hij naar de winkel is gegaan op de avond dat hij werd aangevallen door Al Shabaab. Hiertoe is het volgende van belang. Eiser verklaart tijdens het vrije relaas dat hij onderweg was naar de winkel toen hij werd aangevallen. Later tijdens het nader gehoor verklaart eiser dat hij vanuit de moskee onderweg was naar de winkel, dat hij even daar was gebleven en dat hij toen werd aangevallen. Dit was in de straat richting het huis van eiser. Eiser is vervolgens met deze inconsistentie geconfronteerd, waarop hij heeft verklaard dat hij vanuit zijn huis naar de winkel is gegaan en dat hij, toen hij weer naar huis ging, werd aangevallen door Al Shabaab. Gelet op bovenstaande verklaringen stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser driemaal anders verklaart over waar hij vandaan kwam en waar hij naar toe ging. Uit het nader gehoor blijkt voldoende dat eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn reisbewegingen te verduidelijken, maar hij heeft daarin onvoldoende inzicht gegeven. Dat – zoals eiser stelt – alleen sprake is van nuanceringen, volgt de rechtbank niet, omdat de verklaringen tegenstrijdige scenario’s betreffen. Nu het een belangrijk moment betreft in zijn verklaringen, mag van eiser verwacht worden dat hij hierover met meer consistentie verklaart.
9.2.
Daarnaast stelt de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt dat hij de tegenwerping dat eiser niet gedetailleerd en inconsistent over de mishandeling door Al Shabaab heeft verklaard, niet langer handhaaft. Dit gaat over het aantal aanvallers. Eiser heeft in de zienswijze een verklaringen gegeven voor het verschil in het aantal mannen en deze verklaring wordt door de minister gevolgd, althans heeft de minister dit verschil niet langer aan eiser tegengeworpen. De minister heeft eisers verklaring voor de inconsistenties ten aanzien van zijn reisbewegingen die bewuste avond niet gevolgd. De rechtbank ziet niet in waarom dat onzorgvuldig zou zijn. De enkele stelling dat hoofdletsel ook ten aanzien van de reisbewegingen van invloed kan zijn geweest, is daartoe onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De afstand
10. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet volgt in de verklaring dat er tientallen meters tussen zaten de personen die aan het laden waren en de plek waar de overval op hem plaatsvond en niet slechts vier meter. Eiser heeft wel degelijk verklaard dat het om tientallen meters gaat. Hij heeft dat tijdens het verhoor geïllustreerd aan de hand van de afstand tussen de gehoorkamer en de parkeerplaats op het aanmeldcentrum Zevenaar (namelijk tientallen meters) en niet aan de hand van de afstand in de gehoorkamer zelf. Daarmee is er een verklaring voor het gegeven dat Al Shabaab schrikt en ervandoor gaat als de lichten van de auto die geladen wordt aangaan, maar zich niet laat weerhouden van de overval door eerdere aanwezigheid van ladende personen. Dit is dus, anders dan de minister heeft gesteld, niet onlogisch.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het nader gehoor (p. 20) dat eiser de afstand tussen de plek waar hij werd overvallen en de plek waar de personen aan het laden waren heeft willen illustreren aan de hand van de afstand tussen de gehoorkamer en de parkeerplaats op het aanmeldcentrum Zevenaar (en dus tientallen meters). De minister is er dus ten onrechte van uitgegaan dat eiser in het nader gehoor de afstand in de gehoorkamer zelf heeft bedoeld. De rechtbank volgt de minister echter in de toelichting op de zitting dat dit argument geen dragende overweging is geweest voor de beslissing en daarom niet leidt tot gegrondverklaring.
Wonden eiser, voornemen 24 maart 2025
11. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de wonden mogelijk door hem zelf zijn veroorzaakt, maar dat het niet verifieerbaar is wat de achterliggende oorzaak is. De minister had een Forensisch medisch onderzoek (FMO) moeten aanvragen. Dit raakt volgens eiser de kern van het asielrelaas van eiser en de wonden en trauma’s en de daaruit ontstane problematiek speelt een rol in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser verzoekt de rechtbank een medisch onderzoek aan te vragen en het beroep aan te houden. Hij verwijst hiertoe naar een arrest van het Hof van Justitie van 3 april 2025 in de zaak Barouk. [8]
11.1.
De minister biedt een FMO aan als hij dat relevant acht. [9] Bij de vraag of de minister een FMO relevant acht, heeft hij dus een ruime beoordelingsmarge. [10] De minister kijkt onder meer naar de aanwezigheid van significante fysieke en/of psychische sporen, maar ook naar de vraag of de uitslag van een FMO van doorslaggevend belang is voor de beslissing op de aanvraag. Daarom zal de minister veelal eerst een oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdeling moeten vormen, voordat hij kan beslissen of een FMO relevant is. [11]
11.2.
De minister heeft – gelet op wat hiervoor is besproken – de problemen met Al Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Zelfs als een FMO duidelijkheid zou verschaffen over de wijze waarop deze wonden zijn ontstaan, zouden daarmee eisers inconsistente verklaringen niet worden weggenomen. Uit een FMO zal immers niet volgen door wie eiser is aangevallen. De rechtbank ziet daarom niet in wat een FMO aan de onderbouwing van het asielrelaas zou toevoegen, zodat de minister het verzoek van eiser om een FMO mocht afwijzen met een verwijzing naar de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. De verwijzing van eiser op zitting naar het arrest Barouk maakt het voorgaande niet anders. Uit dat arrest volgt immers slechts dat de rechtbank de bevoegdheid moet hebben om een medisch onderzoek te gelasten. Die bevoegdheid heeft zij ook, [12] maar zij ziet – gelet op het voorgaande – geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië
12. Eiser voert aan dat hij, gelet op de actuele situatie, niet kan terugkeren naar Somalië en daar een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser betoogt dat Lower Shabelle een wetteloos gebied is, met actieve controle door Al Shabaab. Eiser stelt dat er in zijn geval ook sprake is van individuele elementen die maken dat de drempel van 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wordt gehaald. De specifiek op eiser betrekking hebbende omstandigheden, samen met de algemene bekende informatie over het willekeurig geweld in zijn regio, maken dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling dan wel ernstige schade. Ter onderbouwing verwijst eiser naar passages uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van maart 2025. [13] Bovendien geven een viertal andere bronnen aan dat het onveilig is in Qoryooly en dat het regelmatig is afgesneden van de buitenwereld door acties van Al Shabaab.
Daarnaast voert eiser aan dat het reizen tussen Mogadishu en Lower Shabelle niet zonder risico is en dit raakt eiser persoonlijk. Hij is afkomstig uit Lower Shabelle. Eiser betoogt dat de minister hier ten onrechte niet op is ingegaan.
12.1.
Uit het beleid van de minister [14] volgt dat in gebieden in Somalië waar Al Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, de mensenrechtensituatie zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op willekeurig geweld. Dit risico wordt door de minister ook aangenomen voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar Al Shabaab niet aan de macht is of het gebied controleert, maar over land moeten reizen door een gebied waar Al Shabaab wel de macht heeft of het gebied controleert.
13. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Qoryooly, gelegen in Lower Shabelle. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat Qoryooly onder controle staat van de overheid en dat een deel van het gebied eromheen, maar dus niet Qoryooly zelf, bestempeld is als mixed, unclear and/or local control. Er is dus geen sprake van de situatie dat door de enkele aanwezigheid in het gebied van herkomst reeds een reëel risico op willekeurig geweld bestaat. De minister heeft zich vervolgens terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet op basis van het bestaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in het omringende gebied, dan wel in Qoryooly zelf, bescherming dient te krijgen, nu hij niet heeft onderbouwd op grond van welke persoonlijke omstandigheden hij een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. De minister stelt daarbij terecht dat eiser (ook) met de bootverbinding tussen Mogadishu en Marka kan reizen naar Qoryooly. Dat hij dit niet kan, heeft hij verder niet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
13.1.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eerder aangevoerde stukken/gronden
14. Daarnaast heeft eiser voor het overige verzocht wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser nagestreefde resultaat. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer: NL25.40526.
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
3.Nader gehoor, p. 2.
4.Nader gehoor, p. 10.
5.Nader gehoor, p. 3.
6.Nader gehoor, p. 8.
7.Nader gehoor, p. 15.
8.C-283/24, ECLI:EU:C:2025:236.
9.Dat volgt uit artikel 3.109e, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
10.ABRvS 7 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4098, r.o. 3.1. Linkje nog weghalen
11.ABRvS 5 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:898, r.o. 4.2, met verwijzing naar ABRvS 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584. Linkjes nog weghalen.
12.Vergelijk artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
13.P. 51 en 52.
14.Paragraaf C7/30.4.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000.