Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15399

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL25.18744
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 12 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken familieleven

Eisers, bestaande uit een meerderjarige Eritrese vluchteling en zijn gezinsleden, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om gezinshereniging mogelijk te maken.

De rechtbank beoordeelt dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is omdat de referent sinds 2014 zelfstandig is geworden en de scheiding van zijn ouders noodgedwongen maar langdurig is. Ook is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid zoals financiële, emotionele of medische afhankelijkheid. Daarnaast ontbreken hechte persoonlijke banden tussen de referent en zijn jongere broers.

De rechtbank oordeelt dat het horen van de minderjarige broertjes niet noodzakelijk was omdat hun specifieke belangen niet concreet zijn gemaakt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een mvv blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18744

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1], geboren op [geboortedag 1] 1968, V-nummer: [v-nummer 1]

[eiser 2], geboren op [geboortedag 2] 1963, V-nummer: [v-nummer 2]
[eiser 3],geboren op [geboortedag 3] 2006, V-nummer: [v-nummer 3]
[eiser 4], geboren op [geboortedag 4] 2008, V-nummer: [v-nummer 4]
[eiser 5],geboren op [geboortedag 5] 2010, V-nummer: [v-nummer 5]
[eiser 6], geboren op [geboortedag 6] 2012, V-nummer: [v-nummer 6]
samen: eisers
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. van Zanden).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eisers voor een mvv terecht heeft afgewezen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Referent in deze zaak is [referent]. Hij is geboren op
[geboortedag 7] 1998 en heeft de Eritrese nationaliteit. Referent is in 2014 op minderjarige leeftijd gevlucht uit Eritrea. Hij is op 11 december 2018 Nederland ingereisd en op
17 juli 2020 heeft hij in Nederland asiel gevraagd en gekregen.
2.2.
Referent heeft op 6 juni 2022 voor eisers een aanvraag voor een mvv ingediend, op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . [eiser 1] is de moeder van referent. [eiser 2] is de vader van referent. De overige eisers zijn de jongere broers van referent. Referent heeft de aanvraag ingediend zodat hij zich met zijn gezinsleden kan herenigen.
2.3.
Met het primaire besluit van 10 april 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat referent de identiteit van zijn broers en de familierechtelijke relatie met zijn gezinsleden niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft referent hiertoe het voordeel van de twijfel gegeven. Verweerder heeft echter geconstateerd dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM en daarom is verweerder niet overgegaan tot een DNA-onderzoek.
2.4.
Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat referent niet valt onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders en dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn broers. Volgens verweerder is dus geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder gaat daarom (nog steeds) niet over tot een DNA-onderzoek.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, de gemachtigde van eisers, A. Omar als tolk in de taal Tigrinya en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eisers voor een mvv terecht heeft afgewezen.
Jongvolwassenenbeleid
4.1.
Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve voorwaarden:
1. het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;
2. met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;
3. niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en
4. geen zelfstandig gezin hebben gevormd.
4.2.
Eisers voeren aan dat referent valt onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid. Volgens eisers is het onbegrijpelijk dat verweerder heeft gesteld dat referent vrijwillig is vertrokken. Het vertrek van referent was noodgedwongen, dat blijkt uit zijn verklaringen tijdens het asielgehoor. Eisers voeren verder aan dat de duur van de scheiding tussen hen en referent hen niet kan worden tegengeworpen. Referent is nooit zelfstandig geworden, omdat hij na zijn vertrek uit Eritrea in een minderjarigenopvang in Zwitserland verbleef en hij daarna in Nederland in een opvang van HVO Querido voor ongedocumenteerden verbleef. Op 17 september 2020 heeft hij een ongeluk gehad en na dit ongeluk is hij extra kwetsbaar geworden. Daardoor kan de gezinsband niet als verbroken worden beschouwd. Voor zover de gezinsband op enig moment wel als verbroken zou moeten worden beschouwd, voeren eisers aan dat de gezinsband is hersteld na het ongeluk. Door het ongeluk is referent namelijk weer afhankelijk geworden van zijn ouders, nu zij de aangewezen personen zijn om voor hem te zorgen. Eisers wijzen erop dat de wens van referent dat zijn ouders voor hem zorgen relevant is, gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 augustus 2022. [2]
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Het peilmoment in deze zaak is de datum van de aanvraag: 6 juni 2022. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment geen sprake was van samenwoning. Daarom moet worden bekeken of de scheiding een noodgedwongen karakter had en of deze niet te lang voortduurt. [3] De rechtbank volgt eisers in het standpunt dat verweerder niet heeft kunnen stellen dat het vertrek van referent uit Eritrea vrijwillig was. In het asielgehoor heeft referent namelijk verklaringen gedaan die erop duiden dat het vertrek noodgedwongen was. Zo blijkt uit het asielgehoor dat de reden voor zijn vlucht steeds was dat hij niet in militaire dienst wilde. Dit was ook de reden dat referent een eerste vluchtpoging deed, die mislukte.
4.4.
De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder wel doorslaggevende waarde mocht hechten aan de duur van de scheiding. Verweerder heeft terecht meegenomen dat eiser al in 2014 is vertrokken uit Eritrea en dat hij zich vanaf dat moment staande heeft gehouden zonder de hulp van zijn ouders. De rechtbank volgt eisers daarmee niet in hun standpunt dat de zelfstandigheid van referent nooit tot stand is gekomen. Het feit dat eiser na zijn vertrek uit Eritrea in Zwitserland in een minderjarigenopvang verbleef, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het feit dat referent zich na zijn vertrek uit Eritrea in 2014 staande heeft weten te houden zonder de hulp van zijn ouders. En dat hij in de acht jaar daarna zelfstandig is geworden. De omstandigheid dat eiser op 21 jarige leeftijd een ongeluk heeft gehad en dat hij daarna kwetsbaarder is geworden, doet hieraan niet af. De rechtbank neemt in dit verband ook mee dat het ongeluk plaatsvond op 17 september 2020. Op 27 september 2021 heeft referent asiel gekregen en pas op 6 juni 2022 heeft hij de aanvraag om gezinshereniging ingediend. Het duurde dus nog ongeveer negen maanden nadat referent asiel kreeg voordat hij de aanvraag voor zijn gezinsleden indiende en in die periode heeft hij zich ook staande weten te houden.
4.5.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht de gezinsband niet als hersteld heeft aangemerkt. Ter onderbouwing van hun standpunt dat de gezinsband hersteld is hebben eisers een voorbeeld genoemd van een hersteld gezinsleven, waarbij de echtgenoot van een dochter vermist raakte en de dochter weer onderdeel werd van het gezin. Volgens eisers is deze situatie vergelijkbaar met de situatie van referent, omdat referent door zijn ongeluk weer afhankelijk is geworden van zijn ouders. De rechtbank volgt eisers hierin niet. In het geval van referent is er namelijk geen aanleiding om aan te nemen dat hij feitelijk weer deel is gaan uitmaken van het ouderlijk gezin. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd of toegelicht op welke wijze hij door het ongeluk weer afhankelijk is geworden van zijn ouders. Hiermee wil de rechtbank overigens niet afdoen aan de vervelende gevolgen voor eiser door het ongeluk.
4.6.
Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de wens van referent dat zijn ouders voor hem zorgen relevant is, gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 augustus 2022, volgt de rechtbank hem niet. Uit overwegingen 66 en 67 van dit arrest volgt dat er voor het bestaan van een echte familieband, naast het juridische, ook daadwerkelijk een bedoeling moet zijn van de betrokkenen om invulling te geven aan de familieband, die er bijvoorbeeld uit bestaat dat ze bij elkaar op bezoek willen gaan en contact willen onderhouden. Uit dit arrest blijkt niet, zoals eisers lijken te stellen, dat als betrokkenen de wens hebben om familieleven op een bepaalde manier vorm te geven, zij daartoe altijd de mogelijkheid moeten krijgen.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat referent niet valt onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
5.1.
Omdat referent geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, heeft verweerder beoordeeld of er tussen referent en zijn ouders sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan namelijk worden gesproken van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen ouders en meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. [4] Bij de vraag of daar sprake van is, moet worden gekeken of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. [5] Uit de rechtspraak volgt dat de vraag of sprake is van beschermenswaardig familieleven van feitelijke aard is en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kan bijvoorbeeld van belang zijn het hebben samengewoond door de familieleden [6] , de mate van emotionele afhankelijkheid [7] , de mate van financiële afhankelijkheid [8] , de medische omstandigheden [9] en de banden met het land van herkomst [10] .
5.2.
Eisers voeren aan dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de ouders en referent. Volgens eisers heeft verweerder met betrekking tot dit punt niet kunnen verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025 [11] . De situatie van referent is namelijk anders dan de situatie in die zaak. Referent kan zijn familie niet bezoeken en verweerder is niet ingegaan op de mogelijkheid van mantelzorg. Bovendien gaat het erom wie de zorg het beste kan leveren en niet om de exclusiviteit van de zorg. Eisers wijzen er verder op dat de samenwoning noodgedwongen is onderbroken en dat het ontbreken van financiële ondersteuning over en weer hen niet kan worden tegenworpen, nu zij onvoldoende middelen hebben voor financiële steun.
5.3.
De rechtbank volgt eisers allereerst niet in hun standpunt dat verweerder niet heeft kunnen verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025. Verweerder heeft deze uitspraak slechts genoemd ter illustratie en heeft verder een beoordeling gedaan op grond van de individuele omstandigheden van referent en eisers.
5.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.5.
Bij de bespreking van het jongvolwassenenbeleid heeft de rechtbank in overweging 4.3 reeds vastgesteld dat niet kan worden gesteld dat het vertrek van referent uit Eritrea vrijwillig was. Echter, de enkele omstandigheid dat de samenwoning noodgedwongen is geëindigd, is niet voldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Verweerder heeft daarom mogen meenemen dat referent al lange tijd niet meer samenwoont met zijn ouders en de samenwoning voor het vertrek van referent onvoldoende mogen vinden om te spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft meegenomen dat geen sprake is van financiële afhankelijkheid. Uit het dossier is namelijk niet gebleken dat referent eisers financieel steunt of andersom. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat dit hen niet mag worden tegengeworpen, omdat zij onvoldoende middelen hebben voor financiële steun, volgt de rechtbank hen niet. De omstandigheid dat financiële afhankelijkheid niet mogelijk is, maakt niet dat in de beoordeling niet kan worden meegenomen dat er geen sprake van is.
5.7.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van omstandigheden die maken dat referent medisch gezien afhankelijk is van zijn ouders. Uit het dossier volgt dat referent hulpbehoevend is en dat hij maar beperkt kan functioneren. Referent houdt zich op dit moment echter staande met de hulp van de zorg in Nederland. Uit het dossier is gebleken dat hij deze hulp moeilijk accepteert en dat hij de voorkeur heeft om zorg te ontvangen van zijn ouders. Dit maakt echter nog niet dat sprake is van een medische afhankelijkheid van zijn ouders, waardoor bijkomende elementen van afhankelijkheid moeten worden aangenomen. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een dergelijke (mantel)zorgrol beter kunnen invullen dan de professionele zorghulp in Nederland die reeds aan referent wordt geboden.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich verder terecht op het standpunt gesteld dat niet gebleken is van emotionele afhankelijkheid. De enkele voorkeur van referent om zorg te ontvangen van zijn ouders is onvoldoende om te spreken van emotionele afhankelijkheid. Referent heeft verder niet toegelicht op welke wijze hij nu emotioneel afhankelijk is van eisers.
5.9.
Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder terecht heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, heeft verweerder terecht geen familieleven aangenomen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eisers en referent.
Hechte persoonlijke banden
6.1.
Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat familie- of gezinsleven tussen minderjarigen en hun meerderjarige broers of zussen wordt aangenomen als sprake is van hechte persoonlijke banden. De vraag of sprake is van ‘hechte persoonlijke banden’ is een kwestie van feitelijke aard. Of sprake is van hechte persoonlijke banden moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden is bijvoorbeeld samenwoning. Ook als de relatie de gebruikelijke omgang ontstijgt, kan dit duiden op hechte persoonlijke banden.
6.2.
Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte geen gezinsband heeft aangenomen tussen referent en zijn broertjes. Eisers wijzen erop dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat er geen hoge lat wordt gelegd voor het aannemen van gezinsleven tussen broers en zussen.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet gebleken is van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn broertjes. Verweerder heeft in dit verband terecht meegenomen dat de broertjes altijd zijn verzorgd door hun ouders en dat referent zijn broertjes na zijn vertrek uit Eritrea al niet meer heeft gezien. Referent heeft verder geen omstandigheden aangevoerd of toegelicht waarom de onderlinge banden tussen hem en zijn broertjes hecht zijn.
Horen eisers
7.1.
In bezwaar heeft verweerder referent gehoord. Eisers voeren aan dat zij, ook de minderjarige broertjes, hadden moeten worden gehoord door verweerder.
7.2.
Uit artikel 12 van Pro het IVRK [12] volgt dat minderjarigen het recht hebben om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die de minderjarige betreffen. Uit rechtspraak van het EHRM [13] volgt dat artikel 12 van Pro het IVRK van toepassing is in elke gerechtelijke en administratieve procedure waarin artikel 8 van Pro het EVRM aan de orde is.
7.3.
De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat verweerder ook eisers had moeten horen. Hoewel de rechtbank niet wil afdoen aan het belang van het horen van minderjarige kinderen in een procedure, kan de rechtbank begrijpen dat verweerder in dit geval niet is overgegaan tot het horen van de minderjarige broertjes. Eisers hebben namelijk niet geconcretiseerd wat de specifieke belangen zijn van de minderjarige broertjes en wat hun belang is bij het houden van een hoorzitting. Ook ten aanzien van de ouders hebben eisers dit niet gedaan. Nu dit niet als zodanig is geconcretiseerd, kan de rechtbank volgen dat verweerder geen aanleiding heeft gezien om ook eisers te horen. Tijdens de hoorzitting gehouden met referent zijn de specifieke belangen van eisers en hun wens om gehoord te worden ook niet aan bod gekomen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eisers voor een mvv terecht afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.ECLI:EU:C:2022:618.
3.Zie pagina 9 van Werkinstructie 2026/3.
4.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, nr. 47486/06.
5.WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
7.EHRM 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1994:1010DEC002321894.
8.EHRM 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008.
9.EHRM 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0628DEC002577794.
10.EHRM 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2000:1107DEC003151996.
12.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
13.EHRM 3 september 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0903JUD001016113, paragraaf 181 (M. en M./Kroatië).