ECLI:NL:RBDHA:2026:1553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
24/8312
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 27 Wet WIAArt. 76 Wet WIAArt. 77 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering en boete wegens niet gemelde werkzaamheden bij UWV

Eiser ontving sinds 2013 een WIA-uitkering en werd door het UWV teruggevorderd voor een te hoog uitgekeerd bedrag over 2021 en 2022, omdat hij niet had gemeld dat hij als zelfstandige werkzaamheden verrichtte. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de informatieplicht.

Eiser voerde aan dat hij niet werkte, maar slechts bouwadvies gaf en incidenteel hielp zonder betaling. Het UWV baseerde haar besluit op meldingen, getuigenverklaringen, bankafschriften en een onderzoeksrapport. De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte en dat eiser dit niet met objectief tegenbewijs had weerlegd.

De rechtbank stelde vast dat het niet doorslaggevend is of eiser daadwerkelijk inkomsten genoot, maar dat het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden gemeld had moeten worden. Er waren geen dringende redenen of persoonlijke omstandigheden om terugvordering te matigen. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar eiser kreeg het griffierecht en proceskosten vergoed vanwege wijziging van het UWV-standpunt tijdens de procedure.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering en boete van het UWV wordt ongegrond verklaard en de terugvordering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8312

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. de Boorder),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: B.M. de Wolff).

Procesverloop

1. Eiser ontving sinds 7 oktober 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 18 april 2024 heeft het Uwv aan eiser laten weten dat hij van 1 januari 2019 tot en met 31 oktober 2023 recht had op een lager bedrag dan aan hem was uitgekeerd, omdat hij vanaf 1 januari 2019 inkomsten had. Het Uwv heeft het teveel uitgekeerde teruggevorderd tot een bedrag van € 10.256,13 bruto (het terugvorderingsbesluit). Omdat eiser volgens het Uwv zijn informatieplicht had geschonden door niet aan het Uwv te melden dat hij werkzaamheden had verricht en in twee periodes langer dan vier weken in het buitenland had verbleven, werd aan eiser een boete opgelegd van € 5.128,07 (het boetebesluit).
1.1.
Eiser heeft bewaar gemaakt tegen de besluiten en het Uwv heeft dit bezwaar op 4 oktober 2024 gegrond verklaard (bestreden besluit I). Omdat eiser gedupeerde is van de toeslagenaffaire heeft het Uwv de terugvordering over de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 december 2020 kwijtgescholden. Het Uwv heeft de terugvorderingsperiode van 1 januari 2021 tot en met 31 oktober 2023 in stand gelaten en de terugvordering gematigd tot € 5.910,79. Het Uwv heeft het boetebedrag verlaagd naar € 2.955,40. Eiser heeft op 17 oktober 2024 beroep ingesteld tegen dit besluit en het Uwv heeft op 28 oktober 2024 gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Op 28 oktober 2024 heeft het Uwv het bestreden besluit voor wat betreft de boete gewijzigd en het boetebedrag verlaagd naar € 40. Op 5 november 2024 heeft eiser zijn beroepsgronden ingetrokken die waren gericht tegen het boetebesluit.
1.3.
Op 4 december 2025 heeft het Uwv het bestreden besluit gewijzigd voor wat betreft de terugvordering, omdat over 2023 geen inkomsten werden vastgesteld die eisers uitgaven overschreden. Met het nieuwe besluit (bestreden besluit II) heeft het Uwv alleen het over 2021 en 2022 teveel betaalde teruggevorderd tot een bedrag van € 3.960,66.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen bestreden besluit I van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II. Omdat bestreden besluit I is vervangen door bestreden besluit II en niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren.
2.1.
De rechtbank beoordeelt aan de hand van eisers beroepsgronden of het Uwv bestreden besluit II op juiste gronden heeft genomen.
2.2.
Volgens het Uwv heeft eiser niet doorgegeven dat hij als zelfstandige op geld waardeerbare diensten heeft verricht, waarmee eiser zijn informatieplicht heeft geschonden. Door de werkzaamheden niet te melden is te veel aan eiser uitgekeerd en dit bedrag moest worden teruggevorderd. Het Uwv baseert zijn stelling dat eiser werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht op twee meldingen van 21 en 26 juli 2022 dat hij als stukadoor en metselaar zou werken, een gesprek met een getuige, eisers bankafschriften en eisers eigen verklaringen, zoals die blijken uit het onderzoeksrapport van de afdeling Handhaving van 16 januari 2024.
2.3.
Eiser stelt dat hij niet heeft gewerkt. Hij heeft bij het Uwv aangegeven dat hij graag voor zichzelf wilde werken en heeft contact gelegd met bekenden binnen de bouwwereld. Eiser heeft een paar projecten bezocht, daar koffie gedronken en over het werk gepraat. Daarbij heeft hij ook wel eens aangegeven hoe hij een probleem zou oplossen, aldus eiser. Dat hij contante stortingen op zijn bankrekening deed om rekeningen te kunnen betalen komt door de forse schulden die hij heeft, aldus eiser.
2.4.
Een besluit tot herziening en terugvordering is een belastend besluit, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. [1] Dit brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat eiser in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van eiser om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. [2]
2.5.
Het Uwv wijst ten eerste op een gesprek van 17 augustus 2023 met de voormalig eigenaar van [restaurant] . Uit het gespreksverslag blijkt dat deze getuige, nadat hij aan de naam van eiser wordt herinnerd, bevestigt dat eiser verbouwwerkzaamheden heeft verricht aan het pand. Hij zou onder andere de vloer en de muren hebben gedaan. Uit het gespreksverslag blijkt niet wanneer deze werkzaamheden zouden zijn uitgevoerd.
2.6.
Ten tweede werd op 21 en 26 juli 2022 aan het Uwv gemeld dat eiser als zelfstandige in de bouw werkte als stukadoor en metselaar. Hij zou veel rondom [restaurant] werken en doordeweeks bedrijfskleding dragen.
2.7.
Ook wijst het Uwv op een aantal, volgens het Uwv relevante, bij- en afschrijvingen van eisers bankrekening in 2021 en 2022:
  • In 2021 werden twee volgens het Uwv opvallende bijschrijvingen gedaan: een bijschrijving van € 1.100,- naar aanleiding van een betaalverzoek van eiser met de omschrijving ‘Etentje’, en een bijschrijving van € 60,- naar aanleiding van een betaalverzoek van eiser met de omschrijving “Water // filter”.
  • In 2021 en 2022 werd contant geld gestort op eisers rekening. Het ging respectievelijk om € 4.500,- en € 1.500,-.
  • In 2021 en 2022 deed eiser volgens het Uwv respectievelijk € 1.279,79 en € 222,60 aan bouwgerelateerde uitgaven.
2.8.
Ten slotte verwijst het Uwv naar de verklaringen van eiser zelf en zijn gebrek aan openheid daarbij. De onderzoeker heeft op 18 oktober 2023 en 21 november 2023 gesprekken gehad met eiser, waarin hij werd bevraagd over de meldingen over zijn werkzaamheden als zelfstandige en zijn bankafschriften. Eiser verklaarde dat hij geen werkzaamheden had uitgevoerd. Hij was in die periode een netwerk aan het opbouwen en gaf bouwgerelateerd advies. Hij ging langs op locatie en het kwam voor dat hij fysieke werkzaamheden uitvoerde, maar hij kreeg daarvoor niet betaald. Hetzelfde gold volgens eiser voor de verbouwing van Hapsalon. Hij heeft daar een paar dagen in bedrijfskleding geholpen met de muren en buizen, het ophangen van RVS-platen en het plaatsen van een PVC-vloer. Hij heeft koffie en eten gekregen, maar ontving geen geld of wederdienst. Eiser kan geen overzicht geven van zijn gewerkte uren.
2.9.
Over zijn bankrekeningen verklaarde eiser dat hij eventuele bijzonderheden kon uitleggen als het Uwv die tegenkwam. Hij heeft wel eens € 100,- geleend en dat bedrag in stukjes terug betaald. Over de bijschrijvingen in 2021 verklaarde eiser dat hij de € 1.100,- had geleend en de € 60,- had ontvangen omdat hij namens een vriend een waterfilter had verkocht. Over de contante stortingen verklaarde eiser dat hij rekeningen moest betalen. Meestal gaat het om spaargeld en geleend geld en dat laatste betaalt hij contant terug. Over uitgaven die volgens het Uwv bouwgerelateerd waren verklaarde eiser dat hij in 2020 een verbouwing in zijn woning heeft gehad en daar aankopen voor heeft gedaan. Met eiser werd afgesproken dat hij bewijsstukken zou nasturen, maar volgens het Uwv heeft eiser dit niet gedaan en heeft hij niet gereageerd op telefonische oproepen.
2.10.
Met het onderzoeksrapport heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser werkzaamheden heeft verricht, zonder dit aan het Uwv te melden. Met zijn verklaringen over zijn werkzaamheden en de bij- en afschrijvingen van zijn bankrekening heeft eiser niet met objectief en verifieerbaar tegenbewijs de onjuistheid van de stellingen van het Uwv aannemelijk gemaakt. Zo heeft eiser juist erkend dat hij bouwadvies heeft gegeven en fysieke werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank vindt het onaannemelijk dat eiser hier niets mee heeft verdiend, ook gezien de uitgaven die eiser heeft gedaan bij bouwmarkten, de bijschrijving in 2021 van € 1.100,- waar eiser geen (aannemelijke) verklaring voor geeft en de relatief hoge contante stortingen in 2021 en 2022. De verklaring van eiser dat de contante stortingen te maken hadden met de afbetaling van schulden vindt de rechtbank niet aannemelijk, te meer omdat eiser er wisselend over heeft verklaard en er geen bewijs van heeft overgelegd. De stelling van eiser dat de bouwgerelateerde uitgaven te maken hadden met een verbouwing in zijn huis in 2020 verklaart bovendien niet de bouwgerelateerde uitgaven in 2021 en 2022.
2.11.
De rechtbank wijst erop dat het niet doorslaggevend is of eiser daadwerkelijk geld heeft verdiend met de werkzaamheden. Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is een omstandigheid die voor het recht op uitkering van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Het gaat erom of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs geldelijk voordeel kon worden verwacht. [3] Eiser had in dit geval zijn werkzaamheden dan ook moeten melden bij het Uwv.
2.12.
Eiser heeft zijn informatieplicht [4] geschonden door niet aan het Uwv te melden dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Hierdoor is te veel aan eiser uitgekeerd en het Uwv was gehouden de uitkering te herzien [5] en het te veel betaalde bedrag terug te vorderen. [6] Eiser heeft niet aangevoerd dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De rechtbank is ook niet gebleken van persoonlijke omstandigheden die daartoe aanleiding zouden moeten geven.
2.13.
Het beroep slaagt niet.
2.14.
Nu het Uwv hangende de beroepsprocedure zijn standpunt voor wat betreft de periode van herziening en terugvordering heeft gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het Uwv het door eiser griffierecht aan eiser moet vergoeden. Tevens ziet de rechtbank om die reden aanleiding het Uwv te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat eisers gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond. Dat betekent dat de terugvordering in stand blijft. Omdat het Uwv tijdens de beroepsprocedure zijn standpunt heeft gewijzigd voor wat betreft de periode van herziening en terugvordering, krijgt eiser het griffierecht terug en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. Wesselo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
de griffier is buiten staat te tekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie o.a. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:833, r.o. 4.3.
2.Zie o.a. de uitspraak van de CRvB van 21 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2578, r.o. 4.2.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2275.
4.Neergelegd in artikel 27 van Pro de Wet WIA.
5.Op grond van artikel 76 van Pro de Wet WIA.
6.Op grond van artikel 77 van Pro de Wet WIA.