ECLI:NL:RBDHA:2026:15531

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
25.6419
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Geuze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 28 VwArt. 30a VwArt. 62 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens internationale bescherming in Frankrijk

Eiseres, een Turkse nationaliteit houdende vrouw, diende op 4 december 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiseres internationale bescherming geniet in Frankrijk. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat haar Franse asielstatus mogelijk was ingetrokken, onderbouwd met een brief van Franse autoriteiten waarin een voornemen tot intrekking werd vermeld.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht mocht uitgaan van de geldigheid van de Franse asielstatus, mede op basis van het Eurodac-resultaat en correspondentie met Franse autoriteiten die bevestigde dat de terugname van eiseres was geaccepteerd. Eiseres slaagde er niet in aannemelijk te maken dat haar bescherming was beëindigd.

Daarnaast stelde eiseres dat terugkeer naar Frankrijk een risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren vanwege de medische situatie van haar minderjarige dochter en bedreigingen binnen haar familie. De rechtbank vond dit niet aannemelijk en benadrukte het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat lidstaten hun verdragsverplichtingen naleven.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het bevel aan eiseres om zich onmiddellijk naar Frankrijk te begeven. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag wegens geldige internationale bescherming in Frankrijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6419

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, mede namens haar minderjarige kind
[naam], V-nummers: [nummer] en [nummer],
(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 4 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 7 februari 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL25.6420) te treffen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Dogan als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft op 4 december 2024 haar asielaanvraag ingediend.
3.1.
De minister heeft de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres in Frankrijk internationale bescherming geniet. De minister stelt dat eiseres, gelet op die Franse asielvergunning, een zodanige band heeft met Frankrijk dat het redelijk is dat zij daar naartoe terugkeert. Volgens de minister zijn er geen concrete aanwijzingen dat de asielstatus van eiseres is ingetrokken of beëindigd. De minister stelt verder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Frankrijk in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De minister heeft eiseres het bevel gegeven om onmiddellijk naar het grondgebied van Frankrijk te gaan.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat niet aannemelijk is gemaakt dat zij nog over internationale bescherming in Frankrijk beschikt. Eiseres is op 20 juli 2023 in Frankrijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Uit het digitale dossier valt niet op te maken wat er nadien nog is gebeurd en of eiseres nog steeds in het bezit is van de verblijfsvergunning. Eiseres heeft een brief van de Franse autoriteiten van 20 november 2024 overgelegd waaruit volgt dat zij voornemens zijn om haar asielvergunning in te trekken. Hoewel uit deze brief niet blijkt dat de asielvergunning daadwerkelijk ingetrokken is, heeft eiseres aangegeven dat zij in Frankrijk niet op de brief van 20 november 2024 heeft kunnen reageren. Uit de strekking van de brief vloeit dan voort dat tot intrekking zal worden overgegaan. Uit het Eurodac-resultaat volgt weliswaar niet dat de asielvergunning is ingetrokken, maar uit dat formulier volgt ook niet dat dit één van de aspecten is die daarin worden opgenomen. Nu de overgelegde brief van 20 november 2024 het aannemelijk maakt dat de asielvergunning is ingetrokken had de minister zich van de geldigheid van de asielvergunning moeten vergewissen. Dit is ten onrechte niet gedaan. Dit geldt zeker nu er sprake is van een minderjarig kind, waarover eiseres heeft verklaard dat zij geen rechten heeft en eiseres niet als haar wettelijk vertegenwoordiger wordt gezien. Het is dan ook in het belang van haar minderjarige dochter dat er eerst navraag wordt gedaan over de geldigheid van de verblijfsvergunning. Hierbij merkt eiseres nog op dat de minister in nauw contact staat met de verschillende overheidsinstanties in de lidstaten, zodat het dus niet zo moeilijk zou moeten zijn om de actuele status van eiseres na te gaan. Uit de door de minister overgelegde brief van de Franse autoriteiten van 25 maart 2026 volgt volgens eiseres ook niet dat zij nog in het bezit is van een internationale beschermingsstatus in Frankrijk.
4.1.
Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat het niet goed gaat met haar dochtertje omdat zij in het ziekenhuis opgenomen is geweest vanwege epilepsie. Als onderbouwing heeft eiseres een brief met medische informatie overgelegd. Ook heeft eiseres erop gewezen dat de minister de veiligheidssituatie rondom haar familieleden in Frankrijk onvoldoende heeft meegewogen. Eiseres wordt door hen bedreigd. Eiseres heeft in Frankrijk aangeklopt bij verschillende instanties, maar ze werd niet geholpen.
Het oordeel van de rechtbank
Mag de minister ervan uitgaan dat eiseres in Frankrijk internationale bescherming geniet?
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister ervan mocht uitgaan dat eiseres (nog) over een asielstatus in Frankrijk beschikt. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Redengevend daarvoor is het volgende.
5.1.
Bij de toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vanwege internationale bescherming in een andere lidstaat van de Europese Unie hanteert de minister het volgende beleid, zoals vastgelegd in paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc):
“Die bescherming van de vreemdeling kan in ieder geval blijken uit:
- Een verblijfsdocument;
- Het Eurodac Search Result;
- Informatie van de betreffende lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling bescherming geniet, dan wel (opnieuw) in aanmerking komt voor bescherming;
- Verklaringen van de vreemdeling waaruit volgt dat hij in een andere EU-lidstaat bescherming geniet.
Wanneer het verblijfsdocument van de vreemdeling verlopen is, wil dat niet zeggen dat de vreemdeling geen bescherming meer geniet in de betreffende EU-lidstaat. In dat geval moet worden nagegaan of de bescherming nog steeds van toepassing is.”
5.2.
Uit vaste jurisprudentie [2] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt verder dat de minister in beginsel mag afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Daarvoor is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Voorts moet uit de informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Als het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende recent is dan wel onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, heeft de minister een vergewisplicht en zal hij nader onderzoek moeten doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning dan wel een andere toestemming tot verblijf beschikt.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat uit het Eurodac-resultaat van 4 december 2024 volgt dat aan eiseres op 20 juli 2023 internationale bescherming is verleend door Frankrijk. Uit de brief van de Franse autoriteiten van 20 november 2024 volgt dat zij voornemens zijn om de internationale beschermingsstatus van eiseres in te trekken. Dit betekent dat eiseres op dat moment dus nog een verblijfsrechtelijke status in Frankrijk had, maar dat het voornemen bestond die in te trekken. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister een bericht heeft overgelegd van de minister van 18 februari 2025 gericht aan de Franse autoriteiten en een terugnameovereenkomst van 19 september 2025. Daaruit volgt dat de minister op 18 februari 2025 de Franse autoriteiten heeft verzocht om te onderzoeken of eiseres en haar dochter in Frankrijk een verblijfsvergunning hebben en of ze weer naar Frankrijk mogen terugkeren. Ook volgt daaruit dat op 19 september 2025 de Franse autoriteiten de terugname van eiseres en haar dochter hebben geaccepteerd. Uit het door de minister overgelegde bericht van de Franse autoriteiten van 25 maart 2026 waarin ze vragen of eiseres als is teruggekeerd, kon de minister afleiden dat eiseres nog steeds een verblijfsrechtelijke status heeft in Frankrijk. Die vraag zou namelijk zinledig zijn als eiseres geen bescherming meer in Frankrijk zouden genieten.
5.4.
Eiseres heeft verder ook geen documentatie overgelegd waaruit blijkt dat het voornemen van 20 november 2024 is bevestigd. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij in Frankrijk geen internationale bescherming meer heeft. Aangezien eiseres met de enkele verwijzing naar de brief van 20 november 2024 niet heeft onderbouwd dat dit in haar geval zo is, volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat de minister nader onderzoek dient te verrichten naar haar verblijfsrechtelijke positie in Frankrijk.
5.5.
De rechtbank stelt daarom vast dat de Franse autoriteiten aan eiseres op 20 juli 2023 internationale bescherming hebben verleend en dat eiseres deze internationale beschermingsstatus nog steeds geniet in Frankrijk. Reeds om die reden is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), namelijk dat eiseres een zodanige band heeft met Frankrijk, dat het voor haar redelijk zou zijn naar dat land (terug) te gaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling. [3] Loopt eiseres een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM?
6. Voor zover eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Frankrijk een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM vanwege de medische situatie van haar dochtertje en vanwege de dreigementen van haar familieleden, volgt de rechtbank dat niet.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen zullen nakomen. Dat geldt dus ook voor eiseres. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [4] Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in betreffende zaak.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres er niet in is geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. Eiseres heeft een verblijfsstatus in Frankrijk, zodat aan haar formeel gezien gelijke rechten toekomen als aan Franse staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. Eiseres heeft niet met stukken of anderszins onderbouwd dat zij als statushouder in Frankrijk moeilijkheden heeft of zal ervaren. Van eiseres mag bovendien worden verwacht dat zij zich bij voorkomende problemen in Frankrijk, beklaagt bij de (hogere) Franse autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk is om zich bij de Franse autoriteiten te beklagen. Evenmin is gebleken dat de Franse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat eiseres bij terugkeer naar Frankrijk terechtkomt in een staat van verregaande materiële deprivatie. Uit de verklaringen van eiseres zelf volgt immers dat zij toegang heeft gehad tot onderdak, werk en medische zorg. [5]

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Op grond van het bepaalde in artikel 62, derde lid, van de Vw heeft hij eiseres vervolgens terecht opgedragen zich onmiddellijk te begeven naar Frankrijk.
7.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Geuze, rechter, in aanwezigheid van K. Postema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:2 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL25.6420
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441 en de uitspraken van de Afdeling van 12 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3127 en ECLI:NL:RVS:2014:3128.
3.Zie daarvoor bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:442).
4.Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219, onder ro. 89 en 90.
5.Rapport gehoor bescherming EU, EER of Zwitserland, p. 4, 7, 8