ECLI:NL:RBDHA:2026:15576

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.5976
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 12, tweede lid, DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende motivering minister over opvangvoorzieningen in Slovenië bij Dublin-overdracht

Eiseres, een Ugandese asielzoekster, diende op 20 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat Slovenië verantwoordelijk zou zijn, gezien het visum dat eiseres van Slovenië had ontvangen. Eiseres betwistte dit en stelde dat de minister onterecht vertrouwde op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er volgens recente rapporten ernstige tekortkomingen zijn in de opvang en asielprocedure in Slovenië.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat Slovenië nog steeds aan zijn internationale verplichtingen voldoet. Het aangehaalde AIDA-rapport uit juli 2025 toonde aan dat Dublinclaimanten in Slovenië tot twintig dagen geen toegang hebben tot volledige opvangvoorzieningen, wat een structureel tekort is dat een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro inhoudt.

De minister kon niet overtuigend aantonen dat deze tekortkomingen niet structureel zijn. De rechtbank stelde vast dat het motiveringsgebrek in het besluit leidt tot vernietiging van het besluit en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering over de opvangvoorzieningen in Slovenië.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.5976
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1978, van Ugandese nationaliteit, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. A. E. van der Burg).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres, omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres is namelijk in het bezit van een visum voor Slovenië. Eiseres is het hier niet mee eens. Volgens eiseres mag de minister er niet op vertrouwen dat Slovenië zich aan de internationale regels houdt [1] en dat eiseres dus een goede behandeling van haar asielaanvraag en de juiste opvang krijgt. De rechtbank vindt dat de minister niet goed heeft gemotiveerd dat Slovenië zich nog steeds aan de internationale regels houdt. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en de minister moet een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag van eiseres.

Procesverloop

1. Met het besluit van 31 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij niet wordt overgedragen aan Slovenië voordat op het beroep is beslist.
1.2
Met de uitspraak van 19 februari 2026 [2] heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat eiseres de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, S. Nakyomu als tolk in de taal Luganda en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Achtergrond
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze regels zijn vastgelegd in de Dublinverordening [3] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere Europese lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] Als een vreemdeling een geldig visum heeft, is de lidstaat die dit visum heeft afgegeven verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. [5]
2.1
Eiseres heeft op 20 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister heeft op 22 januari 2026 aan de autoriteiten van Slovenië verzocht om de asielaanvraag over te nemen, omdat eiseres in het bezit was van een visum afgegeven door Slovenië geldig tot 15 februari 2026. Op 23 januari 2026 heeft Slovenië het verzoek tot overname geaccepteerd.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. Volgens de minister is Slovenië verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat eiseres een visum heeft gekregen van Slovenië dat geldig is tot 15 februari 2026. Dat het visum is verstrekt via een vertegenwoordigingsregeling waarbij Nederland namens Slovenië heeft gehandeld, maakt het voorgaande niet anders. Verder kan de minister ten aanzien van Slovenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Tot slot leidt de overdracht van eiseres aan Slovenië niet tot een onevenredige hardheid.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiseres heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Slovenië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Volgens het AIDA-rapport uit juli 2025 [6] zijn er structurele tekortkomingen in zowel de opvangvoorzieningen als in de asielprocedure. Dublinclaimanten moeten bij aankomst mogelijk drie tot twintig dagen wachten op registratie, hebben in die periode geen volledige toegang tot opvangvoorzieningen en de toegang tot onafhankelijke en vertrouwelijke rechtsbijstand staat onder druk. De minister heeft hier ten onrechte geen nader onderzoek naar gedaan. Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 oktober 2025 [7] , waarin is geoordeeld dat de minister hier nader onderzoek naar had moeten doen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres eveneens gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 23 maart 2026 [8] , waarin is overwogen dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat ten aanzien van de opvangvoorzieningen in Slovenië nog steeds zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
4.1
De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening, waaronder ook Slovenië, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiseres na overdracht aan Slovenië in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM [9] , het Handvest [10] en het Vluchtelingenverdrag [11] . Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Slovenië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Van een schending van de voormelde bepalingen zal, in geval eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het Sloveense asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [12]
4.2.
Uit het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport van juli 2025 volgt dat Dublinclaimanten vanaf het moment van terugkeer als asielzoekers worden beschouwd. [13] Net als andere asielzoekers moeten zij, vanwege een achterstand in de behandeling van aanvragen, drie tot twintig dagen wachten voordat zij hun asielaanvraag formeel kunnen indienen. [14] Gedurende die periode hebben zij geen toegang tot alle opvangvoorzieningen. [15] Nadat de aanvraag formeel is ingediend, hebben zij dezelfde rechten als andere asielzoekers en worden zij gehuisvest in de opvang. Hieruit leidt de rechtbank af dat Dublinclaimanten in de periode voordat hun aanvraag formeel wordt ingediend – wat enkele dagen tot enkele weken kan duren – geen toegang hebben tot de opvangfaciliteiten. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling [16] van 29 juli 2021 [17] , gaat het hier niet om vijf, maar mogelijk twintig dagen geen toegang tot opvangvoorzieningen.
4.3.
Omdat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er aanknopingspunten zijn voor ernstige vrees dat de opvangvoorzieningen voor haar in Slovenië systeemfouten bevatten die kunnen resulteren in schending van artikel 4 van Pro het Handvest dan wel artikel 3 van Pro het EVRM, is het aan de minister om aannemelijk te maken dat daarvan geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hierin niet voldoende geslaagd. Dat dit rapport een vervolg is op eerdere rapporten en die eerdere rapporten al in uitspraken van de Afdeling zijn betrokken doet hier niet aan af. Er blijkt juist een verschil te bestaan tussen de eerdere rapporten en het onderhavige rapport. Zo wordt in het rapport van 2023 (update 2024) vermeld dat in de periode voordat de formele aanvraag is ingediend, en personen hierdoor nog niet worden aangemerkt als asielzoeker, zij wel zijn gehuisvest, maar geen toegang hebben tot alle opvangvoorzieningen, [18] terwijl die huisvesting in het meest recente rapport niet wordt genoemd. [19] Voor zover de minister stelt dat als er sprake is van een tekortkoming deze niet structureel is, overweegt de rechtbank dat deze stelling verder niet is onderbouwd.
4.4.
Het standpunt van de gemachtigde van de minister ter zitting dat de Afdeling in twee recente uitspraken nog heeft geoordeeld dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maakt het voorgaande niet anders. De uitspraak van 8 juli 2025 [20] kan de rechtbank namelijk niet inzien, omdat deze niet is gepubliceerd en evenmin door de minister in het geding is gebracht. In de uitspraak van 9 januari 2026 [21] verwees de Afdeling naar een uitspraak uit 2023, waarin was bevestigd dat de minister nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan, en overwoog de Afdeling dat de betrokkene in beroep en hoger beroep niet had toegelicht waarom dat ten tijde van zijn overdracht anders was. Dat is in de zaak van eiseres anders, aangezien eiseres wel expliciet heeft uitgelegd wat er veranderd is sinds de Afdelingsuitspraak van 2023.
4.5.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat ten aanzien van de opvangvoorzieningen in Slovenië nog steeds zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het artikel 3:46 van Pro de Awb [22] . Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt en dat de minister opnieuw op de aanvraag van eiseres moet beslissen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Dit wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd.
2.Zaaknummer: NL26.5977.
3.Verordening (EU) 604/2013.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
5.Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.
6.Asylum Information Database,
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
11.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
12.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
13.AIDA-rapport juli 2025, pagina 53: “
14.AIDA-rapport juli 2025, pagina 53
15.AIDA-rapport juli 2025, pagina 80: “
16.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
17.ECLI:NL:RVS:2021:1645. In deze uitspraak oordeelde de Afdeling dat als een vreemdeling vijf dagen geen opvang krijgt, dit niet maakt dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt.
18.AIDA-rapport mei 2024, pagina 79.
19.AIDA-rapport juli 2025, pagina 80.
20.Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat de Afdeling op 8 juli 2025 de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12453, heeft bevestigd.
22.Algemene wet bestuursrecht.