ECLI:NL:RBDHA:2026:15578

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.9115 en NL26.9116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Verordening EU/604/2013
Verwijzingen
20 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser, van Turkse nationaliteit, diende op 10 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser betoogde dat Kroatië niet betrouwbaar is vanwege systematische tekortkomingen zoals pushbacks, slechte opvang en gebrek aan rechtsbijstand, en dat overdracht een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Kroatië geacht wordt haar internationale verplichtingen na te komen. De rechtbank baseert zich op recente Afdelingsuitspraken en AIDA-rapporten die geen reëel risico op schendingen voor Dublinclaimanten in Kroatië aantonen. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende onderbouwd en bereiken niet de hoge drempel van zwaarwegendheid.

Ook het beroep op artikel 17 Dublinverordening Pro faalt omdat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die een uitzondering op overdracht rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.9115 (beroep)
NL26.9116 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2005, van Turkse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna te noemen: verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg)

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser mag verweerder er niet op vertrouwen dat Kroatië zich aan de internationale regels houdt [1] en dat eiser dus een goede behandeling van zijn asielaanvraag en de juiste opvang krijgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder Kroatië terecht verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en de asielaanvraag niet aan zich heeft hoeven trekken. Het beroep van eiser is daarom ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom afgewezen worden.

Procesverloop

1. Met het besluit van 17 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen aan Kroatië voordat op het beroep is beslist.
1.2
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de zaken op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Taskin als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Achtergrond
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze regels zijn vastgelegd in de Dublinverordening [2] . Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere Europese lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3]
2.1
Eiser is door Bosnië via Kroatië de Europese Unie (EU) binnen gereisd. Hij heeft op 10 september 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit Eurodac [4] is echter gebleken dat eiser in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Daarom heeft verweerder op 10 november 2025 aan de autoriteiten van Kroatië verzocht om eiser terug te nemen. Op 21 november 2025 heeft Kroatië het verzoek geaccepteerd. [5]
Besluitvorming
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Volgens verweerder is het claimakkoord geldig en kan er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gegaan worden dat Kroatië zich aan de internationale regels en de EU-wetgeving houdt. Ook leidt de overdracht volgens verweerder niet tot onevenredige hardheid.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Volgens hem zijn er systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die maken dat hij bij overdracht een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM [6] . Zo heeft eiser erop gewezen dat structureel sprake is van pushbacks in Kroatië, dat de opvangfaciliteiten dusdanig ondermaats zijn en dat het recht op rechtsbijstand structureel wordt geschonden. Daarbij brengt eiser naar voren dat artikel 3, tweede lid, tweede alinea van de Dublinverordening geen ruimte biedt voor klagen bij de autoriteiten van Kroatië als van systeemfouten blijkt.
4.1
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening, waaronder ook Kroatië, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Kroatië in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest [7] en het Vluchtelingenverdrag [8] . Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Van een schending van de voormelde bepalingen zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem van Kroatië, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [9]
4.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling [10] van 9 oktober 2024 [11] . In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling is daarbij ingegaan op de vraag of Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback, op de opvangfaciliteiten en op de toegang tot rechtsbijstand.
Pushbacks
4.2.1
Hoewel uit de bij die Afdelingsuitspraak betrokken landeninformatie blijkt dat pushbacks over het gehele grondgebied van Kroatië (kunnen) worden uitgevoerd en dat Dublinclaimanten niet kunnen worden onderscheiden van andere asielzoekers [12] , heeft de Afdeling geoordeeld dat niet aannemelijk is dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. De Afdeling acht in dit verband van zwaarwegend belang dat uit het op dat moment meest recente AIDA-rapport [13] blijkt dat er in beginsel geen obstakels voor Dublinclaimanten zijn om toegang te krijgen tot de Kroatische asielprocedure en dat er geen gedocumenteerde gevallen bekend zijn van Dublinclaimanten die slachtoffer zijn geworden van een pushback. De theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van een pushback omdat zij niet van andere asielzoekers kunnen worden onderscheiden, acht de Afdeling onvoldoende om te oordelen dat Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. De Afdeling heeft dit bevestigd in de uitspraak van 21 november 2025 [14] . Daarbij komt dat uit het meest recente AIDA rapport ook geen wezenlijk ander beeld volgt dan uit de informatie die de Afdeling bij haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft betrokken. [15]
Kwaliteit van de opvang
4.2.2
Ook de verklaringen van eiser over de opvangsituatie in Kroatië zijn onvoldoende om te spreken over structurele tekortkomingen. Uit het AIDA-rapport blijkt weliswaar dat er sprake is van slechte hygiëne en overbezetting en dat er klachten zijn over de veiligheid, maar hieruit volgt volgens de rechtbank niet dat deze problemen dermate ernstig zijn dat bij overdracht aan Kroatië op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. [16] Ondanks het feit dat de Afdeling, zoals eiser stelt, in haar uitspraak van 9 oktober 2024 [17] niet expliciet is ingegaan op de kwaliteit van de opvang in Kroatië, heeft zij haar uitspraak wel uitdrukkelijk gebaseerd op de informatie uit het op dat moment meest recente AIDA-rapport [18] . Uit het AIDA-rapport van augustus 2025 (Update 2024) volgt daarnaast niet dat er sprake is van een verslechtering in de opvangsituatie ten aanzien van de vorige verslagperiode. [19]
Rechtsbijstand
4.2.3
Tevens kan hetgeen eiser aanvoert ten aanzien van de toegang tot rechtsbijstand in Kroatië ook niet leiden tot het oordeel dat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De stukken waar eiser ter onderbouwing van dit standpunt naar heeft verwezen zijn reeds meegewogen in het oordeel van de Afdeling en laten geen wezenlijk andere informatie zien dan de reeds betrokken informatie. [20] In het meest recente AIDA-rapport staat hierover: ‘
In practice there are no obstacles to accessing attorneys, as applicants are informed about their right to free legal assistance.’. [21] De verwijzing van eiser naar de Griekse situatie, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat de Griekse situatie niet vergelijkbaar is aan de situatie in Kroatië. Uit de Afdelingsuitspraak waar eiser naar verwijst volgt dat uit het AIDA-rapport ten aanzien van Griekenland destijds bleek dat ongeveer tachtig procent van de vreemdelingen tijdens de beroepsprocedure verstoken bleef van ondersteuning door een rechtsbijstandsverlener. [22] Daarvan is in Kroatië geen sprake.
De situatie van de eiser
4.2.4
Wat eiser heeft aangevoerd omtrent zijn eerdere behandeling in Kroatië, leidt volgens de rechtbank verder niet tot het oordeel dat na overdracht sprake zal zijn van een onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank acht hierbij van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiser als Dublinterugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen, namelijk de Opvangrichtlijn [23] , de Kwalificatierichtlijn [24] en de Procedurerichtlijn [25] . Verweerder heeft terecht opgemerkt dat in het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, eiser naar de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Kroatië of de daarvoor aangewezen instanties kan gaan. Het is niet gebleken dat deze mogelijkheid niet voor eiser bestond of bestaat en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen voor hem onmogelijk of volstrekt zinloos is. Ook heeft verweerder het terecht van belang geacht dat de verklaringen van eiser over de slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat hij als Dublinclaimaint aan Kroatië wordt overgedragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem bij terugkeer naar Kroatië als Dublinclaimant eenzelfde behandeling staat te wachten. Zoals hiervoor ook onder 4.2.1 en 4.2.2 en 4.2.3 is overwogen, volgt uit de bekende landeninformatie niet dat eiser na overdracht geen toegang zal krijgen tot de asielprocedure en -opvang. Ook zal hij aanspraak kunnen maken op een asielzoekerskaart en, naar uit verdere documentatie blijkt, ook toegang tot rechtsbijstand hebben.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
5. Ten slotte is eiser van mening dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de asielaanvraag niet op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich heeft getrokken. Eiser is slachtoffer van een pushback door de Kroatische autoriteiten. Dit heeft voor veel angst en afgunst gezorgd bij eiser ten opzichte van de Kroatische autoriteiten. Dit is te meer zo, nu hij bij zijn uiteindelijk succesvolle binnenkomst op het Kroatische grondgebied en na het indienen van zijn asielaanvraag wederom onmenselijk is behandeld. Daarbij is hij namelijk onder slechte omstandigheden van zijn vrijheid beroofd, vrijwel zonder voedsel.
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft in dit geval in redelijkheid mogen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Kroatië. Eiser heeft zijn ervaringen niet onderbouwd en hij heeft evenmin, met bijvoorbeeld medische stukken, onderbouwd dat hij dusdanig is getraumatiseerd door wat hem in Kroatië is overkomen dat het van onevenredige hardheid getuigt om hem over te dragen. Verder heeft verweerder de ervaringen van eiser ook betrokken bij zijn beoordeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en daarin geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep is daarom ongegrond.
6.1
Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
6.2
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.9115:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.9116:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd.
2.Verordening EU/604/2013.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.European Asylum Dactyloscopy Database.
5.Dit wordt ook wel ‘claimakkoord’ genoemd.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
9.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17,ECLI:EU:C:2019:218.
10.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11.Zie uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
12.Dit volgt bijvoorbeeld uit de brief van Centre for Peace Studies, ‘Dublin Regulation and its application in Croatia’, 19 janari 2024, die door de Afdeling bij haar uitspraak van 9 oktober 2024 is betrokken.
13.AIDA-rapport van juli 2024 (Update 2023).
14.Zie uitspraak van de Afdeling van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.
15.AIDA-rapport van augustus 2025 (Update 2024).
16.AIDA-rapport van augustus 2025 (Update 2024), p. 94 e.v.
17.Uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
18.AIDA-rapport van juli 2024 (Update 2023).
19.Zie ook de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 23 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12896, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6537, r.o. 6.1; zittingsplaats Utrecht, van 29 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18806, r.o.8.1 en van 24 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19710, r.o. 9.
20.Uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, r.o. 6.1.
21.AIDA-rapport van augustus 2025 (Update 2024), p. 53.
22.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3537, r.o. 7.5.
23.Richtlijn 2013/33/EU.
24.Richtlijn 2011/95/EU.
25.Richtlijn 2013/32/EU.