AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens motiveringsgebrek en in stand laten rechtsgevolgen
Eiser, een Koerdische Syriër die afvallig en atheïst is, vroeg asiel aan vanwege vrees voor vervolging op grond van geloof, politieke overtuiging en etnische discriminatie. Verweerder wees de aanvraag af, oordelend dat geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade bij terugkeer bestond.
De rechtbank oordeelt dat verweerder het asielrelaas van eiser geloofwaardig heeft bevonden, maar onvoldoende recente landeninformatie en een integrale beoordeling van de risico's heeft betrokken, met name ten aanzien van artikel 15(c) van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 EVRMPro in het licht van het arrest Sufi en Elmi. Dit leidt tot een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Hoewel het besluit wordt vernietigd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand omdat verweerder in het verweer het gebrek adequaat heeft hersteld met recente landeninformatie. De asielaanvraag blijft afgewezen. Eiser krijgt proceskostenvergoeding toegekend.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige, actuele en individuele risico-inschatting bij asielbeoordelingen, zeker in complexe situaties zoals Syrië waar humanitaire omstandigheden en individuele factoren samenkomen.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; asielaanvraag blijft afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4946
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. B. Manawi),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 6 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. [1]
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Yasin als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1988, heeft de Syrische nationaliteit en is Koerdisch van herkomst. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser is al meer dan 13 jaar afvallig en atheïst. Dit heeft in het verleden weleens tot discussie met familieleden geleid. Daarbij is eiser verbaal gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit. Koerden worden namelijk niet gezien als Syriërs of echte moslims. Samen met zijn politieke overtuiging die niet aansluit bij de Syrische bevolking en machthebbers, vreest eiser omwille het voorgaande voor de behandeling die hem te wachten staat bij terugkomst.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser geloofwaardig bevonden en hier vier asielmotieven uit herleid:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
zijn afvalligheid en atheïsme;
discriminatie vanwege Koerdische etniciteit;
eisers politieke overtuiging.
Verweerder komt echter tot de conclusie dat eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is. Eisers vrees voor problemen vanwege zijn afvalligheid en atheïsme, en vanwege zijn politieke overtuiging is namelijk niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is de door eiser ondervonden discriminatie niet zwaarwegend genoeg om tot vluchtelingschap te leiden. Evenmin wordt een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 vanPro het EVRM [2] aangenomen, omdat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië [3] en eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die het risico verhogen. Eiser wordt tot slot een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Hiervoor verwijst eiser in de eerste plaats naar de humanitaire situatie in Syrië, waar de gevolgen van het conflict niet zijn verdwenen alleen omdat sommige actoren niet meer actief zijn. De gevolgen zijn er nog steeds, wat ook onderschreven wordt door gezaghebbende landeninformatie. Verweerder heeft ten onrechte de feitelijke risico-situatie en humanitaire omstandigheden buiten beschouwing gelaten in zijn beoordeling. Verweerder kan ook niet volstaan met een verwijzing naar algemene informatie en eigen beleid voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Onvoldoende is onderbouwd waarom het actuele geweldsniveau in samenhang met de structurele instabiliteit, niet zodanig is dat de enkele aanwezigheid tot een reëel risico kan leiden. Daarbij miskent verweerder het individuele karakter van de asielbeoordeling in het kader van eisers geloofwaardig bevonden afvalligheid en atheïsme, door in algemene zin erop te wijzen dat een landelijke strafbaarstelling of systematische vervolging ontbreekt. Uit landeninformatie blijkt dat dergelijke vreemdelingen verstoting en sociale uitsluiting riskeren met een gebrek aan bescherming door de autoriteiten tegen dergelijke niet-statelijke actoren. Eisers politieke overtuiging wordt ook geloofwaardig bevonden. Dit is door verweerder echter onvoldoende kenbaar gewogen met een blik naar de toekomst. Dat eiser in het verleden niet politiek actief is geweest of problemen heeft ondervonden, sluit toekomstige problemen niet uit en verweerder kan niet als eis stellen dat de Syrische autoriteiten van eisers overtuiging op de hoogte zijn. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat hij de lat voor een gegronde vrees voor vervolging wegens discriminatie wel degelijk heeft gehaald. Verweerder heeft echter onvoldoende gewicht toegekend aan de maatschappelijke context van de door eiser ondervonden discriminatie. De cumulatie van risicofactoren kan verder alsnog een gegronde vrees of reëel risico bij terugkeer opleveren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder het asielrelaas van eiser zonder enig voorbehoud geloofwaardig heeft bevonden. Dit houdt in dat voor de verdere beoordeling alle door eiser in dit kader afgelegde verklaringen voor waar aangenomen kunnen worden en de geloofwaardigheidsbeoordeling zelf niet ter discussie staat. Wel staat (onder andere) de beoordeling van de asielmotieven bij de zogeheten risico-inschatting ter discussie.
Vluchtelingschap
6. Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank tot de conclusie kunnen komen dat eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Afvalligheid en atheïsme
6.1.
Verweerder heeft bij zijn beoordeling betrokken dat eiser al 18 tot 20 jaar geleden twijfelde over zijn (toenmalige) geloof en dat hij sinds 13 jaar afvallig en atheïst is. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen vinden dat de enige problemen die eiser daardoor heeft ondervonden, discussies binnen zijn familie waren. Eiser heeft zijn afvalligheid en atheïsme namelijk alleen binnen zijn familie kenbaar gemaakt en aangegeven geen contacten buiten zijn familie te hebben. [4] Bij een eventuele terugkeer heeft eiser verklaard niet te zullen bidden en ook niet deel te nemen aan islamitische feesten, en aan te geven dat hij niet gelooft als dit ter sprake komt. [5]
6.2.
Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eisers afvalligheid en atheïsme een gegronde vrees voor vervolging oplevert. Zo was eiser voor zijn vertrek uit Syrië al gestopt met bidden en nam hij niet meer deel aan islamitische feesten [6] , wat geen problemen heeft opgeleverd. Daarbij is niet gebleken dat mensen buiten zijn familie op de hoogte waren van zijn afvalligheid. Alleen het vermoeden dat eiser problemen zal krijgen met de huidige machthebbers is onvoldoende. Wel blijkt uit landeninformatie zoals het Algemeen Ambtsbericht Syrië (hierna: het AAB) van mei 2025 en informatie van de European Union Agency for Asylum (EUAA) dat afvalligen verstoting riskeren binnen de eigen gemeenschap. Eiser heeft erop gewezen dat de Syrische autoriteiten tegen verstoting niet kunnen beschermen. Dit heeft voor verweerder echter niet tot een andere conclusie hoeven leiden, nu eiser eerder ook niet met verstoting te maken kreeg terwijl zijn familie wel van zijn atheïsme op de hoogte was en niet zonder meer aannemelijk is dat eiser daar alsnog mee te maken zal krijgen. Nog daargelaten of dit op zichzelf dan alsnog een gegronde vrees voor vervolging moet opleveren, omdat de door eiser genoemde ernstige gevolgen niet nader zijn onderbouwd. Er is verder niet gebleken dat er in Syrië sprake is van bestraffing of vervolging van afvalligheid of op grond van (het niet praktiseren) van een geloofsovertuiging. Evenmin is voor verweerder gebleken dat de autoriteiten islamitische leefregels handhaven en de Syrische maatschappij vertoont een vrij gevarieerd beeld. Zelfs binnen de overgangsregering. [7] Een gegronde vrees voor vervolging heeft verweerder dan ook niet aan hoeven nemen.
Politieke overtuiging
6.3.
Verder heeft verweerder aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar ook hiervan heeft verweerder kunnen vinden dat eiser zijn vrees bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft er namelijk op kunnen wijzen dat eiser in het verleden nooit eerder zijn politieke overtuiging in Syrië heeft geuit. Hij geeft ook zelf aan geen activist te zijn. [8] Wel heeft eiser in Nederland deelgenomen aan een protestdemonstratie, maar dat heeft geen reden hoeven zijn om zonder meer aan te nemen dat dit in de toekomst anders zal zijn. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat eiser in de negatieve aandacht van de Syrische autoriteiten staat of komt te staan daardoor. De enkele verklaring dat eiser zijn politieke overtuiging bij terugkeer zal uiten als hij daartoe kans krijgt, maakt niet dat direct aangenomen moet worden dat hij bij terugkeer alsnog onder de negatieve aandacht zal komen te staan. Te meer zo nu eiser zelf in zijn gronden erkent dat het hebben van een politieke mening op zichzelf geen gegronde vrees of reëel risico hoeft op te leveren. Daarnaast is niet gebleken dat verweerder als eis heeft gesteld dat eiser in de negatieve aandacht van de Syrische autoriteiten had moeten staan. Het gebrek daaraan heeft verweerder echter wel in de beoordeling kunnen betrekken. De niet nader onderbouwde stelling van eiser dat verweerder zijn individuele omstandigheden niet of onvoldoende kenbaar heeft betrokken, wordt ook niet gevolgd.
Discriminatie vanwege Koerdische etniciteit
6.4.
Eiser heeft in zijn nader gehoor ook verklaard verbaal te zijn gediscrimineerd, wat door verweerder eveneens geloofwaardig bevonden wordt. De door eiser gestelde vrees om bij terugkeer opnieuw problemen te krijgen vanwege zijn etniciteit heeft verweerder echter niet aannemelijk hoeven vinden. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de discriminatie die eiser heeft ervaren namelijk niet zodanig is geweest dat hij in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt en niet in staat was om op sociaal en maatschappelijk gebied te functioneren. Zo heeft eiser toegang gehad tot medische zorg [9] en onderwijs. [10] Ook had hij de mogelijkheid om te werken, wat hij tot een week voor zijn vertrek uit Syrië heeft gedaan. Voor het argument van eiser dat de door verweerder genoemde lat is gehaald, vindt de rechtbank geen aanknopingspunten. Eiser heeft voornoemde punten in zoverre niet weerlegd en niet is onderbouwd waarom hem nu alsnog een dusdanig ernstige vorm van maatschappelijke beperking te wachten staat bij terugkeer.
6.5.
Tot slot is naar oordeel van de rechtbank niet gebleken dat verweerder voorgaande asielmotieven binnen deze beoordeling te fragmentarisch heeft beoordeeld. Het is namelijk niet gebleken waarom deze combinatie van factoren, te weten eisers afvalligheid en atheïsme, zijn politieke overtuiging en de ondervonden discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit, in samenhang bezien alsnog tot de conclusie moet leiden dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
7. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [11] , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [12] Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. [13] De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. [14] Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [15]
7.1.
Verweerder heeft in zijn voornemen gewezen op het huidige beleid van paragraaf C7.33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) in samenhang met de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) van mei 2025. Hieruit blijkt dat weliswaar sprake is van geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat deze incidenteel zijn. Daarbij blijkt dat er veelal sprake was van gericht geweld, zoals wraakacties. Aan de overgangsregering dan ook een uitdaging om haar autoriteit in alle gebieden te vestigen. Daarom is de situatie fragiel, maar is er slechts sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat betekent dat sprake moet zijn van individuele omstandigheden die maken dat eiser een verhoogd risico loopt. Aan eiser is echter tegengeworpen dat hij die niet naar voren heeft gebracht. In het bestreden besluit heeft verweerder ter aanvulling verwezen naar de Beslisnota van de minister van Asiel en Migratie over het landenbeleid Syrië en de bijlage 15c.
7.2.
In zijn verweerschrift van 8 mei 2026 heeft verweerder daaraan toegevoegd dat uit het AAB van januari 2026 blijkt dat het aantal geweldsincidenten ten opzichte van de vorige verslagperiode flink was gedaald. Ook het aantal burgerdoden is eind 2025 afgenomen in vergelijking met het begin van dat jaar. Deze dalende trend was ook zichtbaar in [provincie] – waar eiser vandaan komt. Binnen Syrië en [provincie] werd daarnaast op grote schaal teruggekeerd en het grootste gedeelte van [provincie] behoorde tot het controlegebied van de overgangsregering. Het aantal incidenten met ontplofbare resten is verder nauwelijks toegenomen en er worden maatregelen genomen met betrekking tot het ruimen daarvan.
7.3.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande en de uitspraak van deze rechtbank van 23 februari 2026 tot de conclusie kunnen komen dat hij er niet aan gehouden was om de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken bij zijn beoordeling van de algemene veiligheidssituatie daar in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser heeft ter zitting ook aangegeven dat niet wordt betwist dat verweerder voldoende (recente) landeninformatie bij zijn beoordeling heeft betrokken, maar dat onvoldoende gebleken is hoe deze informatie integraal is gewogen om tot de conclusie te komen dat sprake is van een relatie lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank volgt eiser hier niet in. Verweerder heeft in zijn verweer uitgebreid uiteengezet welke factoren voor de beoordeling van belang zijn geweest, hieraan de relevantie informatie vanuit het meest recente AAB van januari 2026 gekoppeld en in zijn conclusie aangegeven welke factoren ertoe leiden dat verweerder een lager niveau van willekeurig geweld aanneemt. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat er in Syrië, en specifiek [provincie], sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. [16] Om dan een reëel risico op ernstige schade in de zin van voornoemd artikel aan te nemen, moeten er individuele of persoonlijke omstandigheden zijn die het risico verhogen. Eiser heeft hierbij gewezen op zijn Koerdische etniciteit, zijn afvalligheid en atheïsme en dat eiser uit [provincie] komt. De rechtbank overweegt echter dat niet zonder meer gesteld kan worden dat geweld op basis van iemands etniciteit of geloofsovertuiging willekeurig geweld is, in plaats van gericht geweld. Daarbij is het feit dat eiser uit [provincie] komt geen individuele omstandigheid. Verweerder heeft dan ook tot de conclusie kunnen komen dat van individuele of persoonlijke omstandigheden die het risico op ernstige schade verhogen niet is gebleken.
7.4.
Eiser kan er in zoverre wel in gevolgd worden dat het enkele bestaan van een beleidslijn verweerder niet ontslaat van het maken van een beoordeling van de actuele risico’s. In het voornemen heeft verweerder gewezen op zijn huidige beleid in samenhang met het AAB van mei 2025. Daar heeft verweerder aan toegevoegd de Beslisnota van de minister en de bijlage 15c. In de uitspraak van 23 februari 2026 heeft de rechtbank reeds overwogen dat verweerder al in zijn daarin genoemde motivering van 19 december 2025 niet meer kon volstaan met de verwijzing naar het AAB van mei 2025 als uitgangspunt. Juist nu sprake is van een volatiele en onzekere situatie in Syrië. De onderbouwing die verweerder in de besluitvorming heeft gegeven volstaat daarom niet. De rechtbank ziet hierin dan ook een motiveringsgebrek waardoor het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Desalniettemin ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten. Met zijn verweerschrift heeft verweerder alsnog recentere landeninformatie in de vorm van het AAB van januari 2026 bij zijn beoordeling betrokken. Daarbij heeft eiser ter zitting erkend dat verweerder de nodige recente informatie in verweerschrift heeft betrokken.
Humanitaire omstandigheden
8. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [17] twee situaties onderscheidt:
In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
8.1.
Verweerder heeft hierover in zijn voornemen noch in het bestreden besluit een kenbare beoordeling gemaakt. In het verweerschrift heeft verweerder dit wel gedaan en erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. [18] Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 vanPro het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’.
8.2.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder ten onrechte geen aparte beoordeling van artikel 3 vanPro het EVRM heeft gemaakt in de besluitvorming en het bestreden besluit daarom ook hierom een motiveringsgebrek bevat. Ook deze is desalniettemin met de nadere toelichting in het verweer adequaat hersteld waardoor de rechtbank in stand lating van de gevolgen gewezen acht. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich namelijk op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 vanPro het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden in Syrië. Eiser heeft niet in verwijzing naar openbare bronnen weersproken dat verweerder niet van de zwaardere toetsing mocht uitgaan, dan wel dat uit bronnen blijkt dat sprake is van de tweede situatie zoals benoemd onder rechtsoverweging 8. Eiser heeft daarbij ook in dit kader niet gewezen op zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden die hierop van invloed zouden kunnen zijn. De rechtbank ziet ook in de door eiser onder 7.3 behandelde persoonlijke omstandigheden niet zonder meer reden voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 vanPro de Awb. Het bevat daarom een motiveringsgebrek en kan niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat verweerder het gebrek in verweer echter adequaat heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten gelet op het hetgeen vermeld onder rechtsoverwegingen 7.4 en 8.2. Dit betekent dat de asielaanvraag van eiser afgewezen blijft. Voor een andere afdoening ziet de rechtbank geen aanleiding.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser zijn proceskosten vergoed. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt het bedrag vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). [19]
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietig het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtgevolgen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand worden gelaten;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
4.Verslag nader gehoor, pag. 9.
5.Verslag nader gehoor, pag. 10.
6.Verslag nader gehoor, pag. 8.
7.Zie het AAB van mei 2025, pag. 16, 109 en 110, de Country Guidance: Syria van de EUAA van juli 2025, pag 28, 29 en 52 en de Country Guidance: Syria van de EUAA van december 2025, pag. 39.
8.Verslag nader gehoor, pag. 15 en 16.
9.Verslag nader gehoor, pag. 15.
10.Verslag aanmeldgehoor, pag. 6 en 7.
11.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
12.Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (
13.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (
14.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
15.Zie de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.