ECLI:NL:RBDHA:2026:15760

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25.16493
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Geuze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 29, eerste lid, aanhef en onder a en onder b Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 15, aanhef en onder c, KwalificatierichtlijnArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag uit Jemen wegens onvoldoende motivering 15c-beoordeling

Eiser, een Jemenitische vreemdeling afkomstig uit Sanaa, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 8 april 2025 werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, met name ten aanzien van de beoordeling van het risico op willekeurig geweld (15c-situatie) in Sanaa.

De minister had in het oorspronkelijke besluit een relatief hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen, maar had onvoldoende rekening gehouden met recente jurisprudentie en het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025. De rechtbank vernietigt daarom het besluit, maar stelt vast dat de minister in de beroepsfase voldoende aanvullende motivering heeft gegeven, waardoor de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.

De rechtbank weegt mee dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een hoger risico loopt dan anderen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook de stelling dat zijn medische situatie en gebrek aan sociaal netwerk een verhoogd risico opleveren, worden niet gevolgd. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven gehandhaafd. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de afwijzing blijft in stand vanwege voldoende aanvullende motivering in beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16493

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het wordt daarom vernietigd. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom eisers asielaanvraag is afgewezen. Dit betekent dat die afwijzing in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 april 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Hiertegen heeft eiser op 9 april 2025 beroep ingesteld en op 17 april 2025 gronden ingediend. De minister heeft op 19 mei 2026 een verweerschrift ingediend. Op 20 mei 2026 heeft eiser een reactie daarop ingediend.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de waarnemer van de gemachtigde van eiser, A. Sharbat als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1971 en heeft de Jemenitische nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser woonde vanaf 1996 in de stad Sanaa, geleden in de provincie Sanaa, toen hij vanwege de onstabiele situatie in 2006 Jemen verliet. Hij is toen naar Saoedi-Arabië vertrokken. Dit was de eerste mogelijkheid die zich voordeed om weg te gaan. Als het aan eiser had gelegen was hij veel eerder vertrokken. Hij verklaart veel geleden te hebben in Jemen in de jaren ‘80. Op 21 juni 2023 is eiser vanuit Saoedi-Arabië met een toeristenvisum voor Albanië vertrokken. Dit was de enige mogelijkheid, omdat eisers Saoedische verblijfsvergunning ongeldig was verklaard. Eisers gezin woont op dit moment in Georgië. Eiser vreest voor terugkeer naar Jemen. Hij is bang voor iedereen in Jemen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief: identiteit, nationaliteit en herkomst.
4.1.
De minister acht eisers asielmotief geloofwaardig, maar daaruit volgt volgens hem niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade heeft. Eiser heeft verklaard in 2006 Jemen te hebben verlaten als gevolg van de oorlogen in de jaren ‘70 en ‘80. Eiser heeft verklaard destijds geen persoonlijke problemen te hebben ondervonden. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij meer dan 40 jaar geleden in Jemen is mishandeld. Gelet op het tijdsverloop en dat deze gebeurtenissen niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag [1] of op risico op ernstige schade beoordeelt de minister dit verder niet. Verder stelt de minister dat eiser bij terugkeer naar Jemen evenmin een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. Daarbij hanteert de minister als uitgangspunt dat in Jemen en meer specifiek de stad Sanaa, sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiser aannemelijk moet maken dat hij op grond van zijn persoonlijke omstandigheden een hoger risico loopt dan anderen om slachtoffer te worden van dat geweld. Daarin is hij niet geslaagd. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a en onder b, van de Vw. De minister concludeert om die reden dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Eiser krijgt wel uitstel van vertrek om medische redenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Het bestreden besluit bevat geen terugkeerbesluit
Omvang van het geschil
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de weigering hem als verdragsvluchteling aan te merken. In zijn beroep betoogt hij voornamelijk dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn; [2] een 15c-situatie. Daarnaast voert eiser aan dat de minister een losse en overzichtelijke beoordeling had moeten maken over de humanitaire situatie in het kader van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank zal deze beroepsgronden beoordelen.
5.1.
Verder is op de zitting besproken dat eiser uitstel voor vertrek om medische redenen op grond van artikel 64 Vw Pro is verleend tot 8 mei 2026 en dat eiser bezig is een verzoek tot een verblijfsvergunning regulier om medische redenen in te dienen. Dit betekent dat de minister in een apart besluit eisers medische situatie zal beoordelen, zodat de rechtbank in deze beroepsprocedure daar niet aan toekomt.
15c-situatie in Jemen en Sanaa
Wat voert eiser aan over de 15c-beoordeling over Jemen, meer specifiek de stad Sanaa?
6. Eiser betoogt onder verwijzing naar uitspraken van verschillende zittingsplaatsen dat de minister beter dient te motiveren dat in Jemen geen sprake is de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld gelet op recente landeninformatie. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet langer gesteld kan worden dat er geen sprake is van een 15c-situatie in Jemen. De minister stelt dat de bronnen die eiser heeft aangedragen algemeen van aard zijn en zien op de periode dat eiser Jemen al had verlaten. Hetgeen uit de bronnen volgt, kan volgens de minister niet op eiser persoonlijk van toepassing zijn geweest. Het voorgaande is juist, maar eiser stelt dat dit een verkeerde toets is en dat hij niet hoeft aan te tonen dat dit persoonlijk op hem van toepassing is geweest. Wat uit de algemene bronnen volgt, heeft betrekking op eiser bij terugkeer en toont precies zijn vrees aan: vrees voor de algemene onveilige situatie. Daarnaast heeft eiser te vrezen voor de Houthi’s bij terugkeer. Eiser stelt dat de rekrutering door de Houthi’s is geïntensiveerd naar aanleiding van hun inmenging in het Gaza-conflict. Als meerderjarige loopt hij daardoor ook het risico om te worden gerekruteerd. Dat hij in het verleden geen vrees had voor de Houthi’s, zegt niets over zijn vrees bij terugkeer. Verder voert eiser aan dat de minister bekend is met de medische problematiek van eiser. Uit de brieven van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 8 november 2024 en 18 februari 2025 over de humanitaire situatie in Jemen blijkt dat 2/3e van de bevolking geen toegang heeft tot basale gezondheidszorg, laat staan de medische zorg die eiser nodig heeft vanwege zijn cardiale aandoening en de fysiotherapie die hij twee keer per week nodig heeft. Eiser heeft ook verklaard als hij in Jemen zou zijn, allang dood was gelet op zijn medische aandoening. [3] Op de zitting heeft eiser toegelicht dat zijn medische situatie maakt, dat hij anders dan anderen vaker naar buiten moet gaan voor behandeling en dat daarom willekeurig geweld hem eerder treft dan anderen. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat hij in Jemen geen netwerk meer heeft en ook geen onderdak. Deze individuele omstandigheden in samenhang gezien maken dat hij, als uitgegaan zou moeten worden van een lagere gradatie van willekeurig geweld, hij vanwege zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld.
Beleid minister en relevante rechtspraak
7. Als gevolg van het arrest X en Y [4] en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024 [5] over dit arrest, neemt de minister voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3 van de Vw [6] verschillende gradaties aan van willekeurig geweld aan. [7] De drie gradaties zijn:
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
7.1.
Het uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld betreft de situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon.
7.2.
In de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld. [8] Bij de laagste twee gradaties moet de betrokkene aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer daarvan te worden. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.
7.3.
Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. [9] In WBV 2024/9 [10] heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
7.4.
De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025 [11] ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het Algemeen Ambtsbericht Jemen van april 2025 (AAB 2025) al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit nieuwe ambtsbericht.
7.5.
In zijn brief van 8 oktober 2025 aan de Tweede Kamer [12] heeft de minister naar aanleiding van het AAB 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025/20 [13] het landenbeleid gewijzigd.
Het bestreden besluit van 8 april 2025
8. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van 8 april 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 kan dat besluit geen standhouden. De minister heeft dit op de zitting ook erkend. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit van 8 april 2025. De rechtbank is van oordeel dat de minister in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom hij eisers asielaanvraag heeft afgewezen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat op grond artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten. Hierna de zal rechtbank uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt.
Is de beoordeling in WBV 2025/20 volledig?
9. De rechtbank is van oordeel de minister in voldoende mate alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen die van belang voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in Jemen, meer specifiek in de stad Sanaa. De minister heeft het beleid van WBV 2025/20 toegepast en is in het verweerschrift ingegaan op de specifieke situatie in de stad Sanaa en welke relevante feiten en omstandigheden daar gelden. Ook heeft hij daarbij betrokken de humanitaire situatie in Jemen, meer specifiek de stad Sanaa, zoals beschreven in zijn brief aan de Tweede Kamer van 8 oktober 2025 met bijlagen. De minister heeft erop gewezen dat hij bij zijn beoordeling niet enkel de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden en op welke wijze deze beïnvloed werden door methoden van oorlogsvoering. Zo is onder andere betrokken hoe deze methoden van invloed waren op de voedselproductie en infrastructuur. Daarbij komt dat de minister ook nog is nagegaan of er sindsdien relevante wijzigingen in de veiligheidssituatie van Sanaa zijn geweest. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister conform de opdracht van de Afdeling in voldoende mate de relevante omstandigheden globaal heeft beoordeeld. Daarbij wijst de rechtbank ook naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 maart 2026. [14] Daarin heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 11.3 ook geoordeeld dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en genoemd in de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken.
Heeft de minister een te lage gradatie van het willekeurig geweld aangenomen?
10. De rechtbank overweegt dat uit het arrest CF en DN [15] volgt dat de minister bij de beoordeling of een betrokkene bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied, de daadwerkelijke bestemming moet betrekken. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beoordeling of zich in een land dan wel, in voorkomend geval, het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een 15c-situatie voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats heeft gehad. Dat betekent dat in dit geval de situatie in de stad Sanaa als laatste woon- en verblijfplaats van eiser in Jemen moet worden beoordeeld.
10.1.
De minister heeft in zijn beleid voor de stad Sanaa geen uitzonderlijke situatie aangenomen waarbij een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid daar al te vrezen heeft voor een reëel risico op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. In het verweerschrift heeft de minister dit toegelicht door te verwijzen naar zijn brief aan de Tweede Kamer van 8 oktober 2025 met bijlagen. Ook heeft de minister verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 5 februari 2026. [16] In die uitspraak oordeelde de rechtbank dat de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in de stad Sanaa niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet. Zoals hiervoor overwogen heeft de minister ook beoordeeld of na zijn brief van 8 oktober 2025 er nog relevante wijzigingen in de veiligheidssituatie van Sanaa zijn geweest. Daarbij heeft hij gesteld dat de veiligheidssituatie in Jemen lichtelijk is verbeterd sinds het bestand in 2022. Ten aanzien van Sanaa heeft de minister erop gewezen dat Sanaa sinds 2014 onder controle van de Houthi-beweging staat en sindsdien de feitelijke controle niet in het geding is geweest. De Houthi’s hebben volgens het AAB 2025 [17] voornamelijk mijnen gelegd langs de frontlinies, maar die frontlinies zijn ver van de stad Sanaa verwijderd gebleven. In 2023 en 2024 bleven de door ACLED [18] in Sanaa geregistreerde aantallen gevechten minimaal. Uit recente cijfers van ACLED volgt dat niet is gebleken van recente wezenlijke wijzigingen in de veiligheidssituatie van Sanaa. Ten aanzien van de humanitaire situatie in Sanaa heeft de minister gesteld dat die slecht is, maar in 2024, 2025 en begin 2026 licht verbeterd is volgens ACAPS. [19] Hoewel intimidaties hiertegen plaatsvinden, blijkt uit het AAB 2025 dat in Jemen mensenrechtenorganisaties actief zijn. Hieruit volgt dat de humanitaire situatie niet non-existent is of de hulp in zijn geheel geweigerd wordt.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat zich in de stad Sanaa niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld (‘uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld’) voordoet. Dat eiser verwijst naar de uitspraak van 7 mei 2026 van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, [20] maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. In die uitspraak oordeelde de rechtbank namelijk dat de minister de 15c-beoordeling voor de provincie Taiz onvoldoende had gemotiveerd. Specifiek voor die provincie overwoog de rechtbank dat er substantiële verschillen zijn met andere provincies in dezelfde groep zoals blijkt uit de bijlage 15c beoordeling Jemen. Dit geldt evenwel niet voor de stad Sanaa. Ook eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van, zittingsplaats Den Haag, van 14 april 2026 [21] gaat niet op, nu uit die uitspraak volgt dat rechtbank in die zaak van oordeel was dat de minister in zijn beoordeling niet alle relevante voldoende in aanmerking had genomen. In onderhavige zaak is de rechtbank van oordeel dat de minister dit juist wel gedaan heeft. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat terughoudendheid moet worden betracht bij het gebruik van cijfers en dat er in conflictgebieden als Jemen een reëel risico op onderrapportage bestaat. Het is namelijk gebruikelijk en algemeen aanvaard dat de autoriteiten zich op dit soort objectieve landeninformatie baseren bij de beoordeling van asielaanvragen. Eiser heeft verder ook niet concreet onderbouwd dat en waarom de minister de landeninformatie waar hij zich op baseert verkeerd heeft geïnterpreteerd. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiser zichzelf ook deels beroept op dezelfde bronnen van landeninformatie waarop de minister zich baseert.
10.3.
De rechtbank acht het op grond van het vorenstaande niet onjuist dat de minister voor de stad Sanaa een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen.
Loopt eiser een verhoogd risico op willekeurig geweld?
11. Voor het oordeel van de rechtbank is van belang dat uit het arrest X en Y [22] , en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc, volgt dat een betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat juist hij vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
11.1.
Eisers stelling dat de minister bij deze beoordeling ook relevante omstandigheden moet betrekken die eiser zelf niet heeft aangevoerd volgt de rechtbank niet. De verwijzing naar rechtsoverweging 13.2 van voornoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 maart 2026 [23] gaat niet op, nu de minister in die uitspraak in die zaak de minderjarigheid van de vreemdeling niet in zijn beoordeling van de individuele omstandigheden had betrokken, terwijl dat een omstandigheid is die door de minister zelfstandig kon worden vastgesteld. Van een dergelijke situatie is in deze zaak geen sprake.
11.2.
Eiser heeft verder betoogd dat hij door zijn medische situatie vaker naar buiten moet voor zijn behandeling, hij geen sociaal netwerk in Jemen heeft en ook geen onderdak heeft. Verder heeft hij aangevoerd dat omdat hij meerderjarig is, hij een verhoogd risico loopt om te worden gerekruteerd door de Houthi’s. Deze persoonlijke omstandigheden in samenhang gezien maken dat hij een verhoogd risico op willekeurig geweld loopt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog om navolgende redenen: Het risico op rekrutering door de Houthi’s ziet niet op willekeurig geweld maar op gericht geweld jegens eiser. Daarover merkt de rechtbank nog op dat de minister er terecht op wijst dat eiser heeft verklaard nooit problemen te hebben gehad met de Houthi’s. [24] Ook uit de video die eiser 11 jaar geleden op het internet heeft geplaatst volgt niet dat hij problemen kan krijgen met de Houthi’s. Uit de vertaling van die video volgt ook niet dat eiser negatief spreekt over Houthi’s. Maar bovendien is de video lang geleden geplaatst en niet is gebleken dat eiser sindsdien daarover in negatieve zin is benaderd. Ook heeft de minister onder verwijzing naar het AAB 2025 [25] terecht opgemerkt dat eisers meerderjarigheid niet maakt dat hij een verhoogd risico op rekrutering door de Houthi’s loopt. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheden dat eiser vanwege zijn medische situatie meer naar buiten zou moeten gaan, of dat hij geen netwerk of onderdak heeft, niet maken dat hij een verhoogd risico loopt. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van relevante individuele omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een groter risico loopt dan anderen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Had de minister een aparte beoordeling moeten maken van de humanitaire situatie in Jemen in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM?
12. Zoals onder 5.1 van deze uitspraak is overwogen bevat het bestreden besluit geen terugkeerbesluit. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomst aan een brede beoordeling van artikel 3 van Pro het EVRM in de zin van een terugkeerbesluit.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond, omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister in beroep zijn motivering voldoende heeft aangevuld zodat het de afwijzing van eisers asielaanvraag alsnog kan dragen.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 8 april 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Geuze, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.C.M. Boerboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 1951-07-28
2.Richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming
3.Nader gehoor, p. 13
4.HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41
5.ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927
6.Dit is de implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
7.Brief minister van 19 november 2024, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3315. Zie ook WBV 2025/2 (5 februari, Stcrt. 2025, nr. 3204) en de verwerking daarvan in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
8.Vóór het arrest X en Y was dit het enige niveau dat erkend werd in het Nederlandse beleid ten aanzien van ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, welk standpunt door het arrest niet meer houdbaar was.
9.Zie WBV 2016/18 en (laatstelijk) WBV 2022/26.
10.Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 22 april 2024, nummer WBV 2024/9, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2024, nr. 13067
11.ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.
12.19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.
13.Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 15 oktober 2025, nummer WBV 2025/20, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2025, nr. 35447.
15.HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, punt 43
17.Algemeen ambtsbericht Jemen, april 2025, p. 14, 20, 22
18.Armed Conflict Location and Event Data Project, www.acleddata.com
19.Assassement Capacities Project, www.acaps.org
22.Punt 42 van dit arrest
24.Nader gehoor, p. 9, 11
25.Algemeen ambtsbericht Jemen, april 2025, p. 89 en 90