ECLI:NL:RBDHA:2026:15876

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.23237
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 15 TerugkeerrichtlijnArt. 8 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens onrechtmatige voortduring maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser zat in bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd op 11 februari 2026 en opgeheven op 28 april 2026. Eiser stelde dat de maatregel te laat was omgezet na de ongegrondverklaring van zijn asielberoep op 24 april 2026 en dat de maximale bewaringsduur van zes maanden was overschreden.

De rechtbank stelde vast dat de periode tot 26 maart 2026 rechtmatig was, maar dat de omzetting van de maatregel te laat had plaatsgevonden. De rechtbank volgde eiser in het standpunt dat ook de dag van omzetting moet worden meegenomen voor schadevergoeding, waardoor de periode van 24 tot en met 28 april 2026 onrechtmatig was.

Verder oordeelde de rechtbank dat de perioden van bewaring op grond van artikel 59b Vw (Opvangrichtlijn) niet meetellen bij de maximale bewaringsduur van de Terugkeerrichtlijn, waardoor de zes maanden termijn niet was overschreden. Ook was er geen sprake van onvoldoende voortvarendheid of een onjuiste belangenafweging door verweerder.

De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €600,- voor vijf dagen onrechtmatige bewaring en tot vergoeding van de proceskosten van €1.868,-. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank kent een schadevergoeding van €600 toe wegens onrechtmatige voortduring van de maatregel van bewaring van 24 tot en met 28 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23237

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Procesverloop

Verweerder heeft op 11 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 28 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij de voortduring van deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 27 maart 2026 (in de zaak NL26.15559) volgt dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (26 maart 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 26 maart 2026.
Niet-tijdige omzetting van de maatregel
3. Eiser voert aan dat de maatregel te laat is omgezet. Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is namelijk op 24 april 2026 ongegrond verklaard, en de maatregel is pas op 28 april 2026 omgezet.
4. Verweerder erkent naar het oordeel van de rechtbank terecht dat de maatregel te laat is omgezet en heeft bij brief van 5 mei 2026 aangeboden om een schadevergoeding te betalen voor de periode van 24 april 2026 tot en met 27 april 2026. De rechtbank ziet echter aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen voor de periode van 24 april 2026 tot en met 28 april 2026. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt namelijk dat de dag van omzetting ook moet worden meegenomen in de schadevergoeding (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1170). Deze beroepsgrond slaagt.
Overschrijding van de zes maanden termijn (Aroja)
5. De rechtbank zal ook de periode tussen 26 maart 2026 en 24 april 2026 beoordelen, want eiser stelt zich op het standpunt dat de voortduring van de maatregel van meet af aan onrechtmatig was. Eiser voert hiertoe aan dat hij in totaal al langer dan zes maanden in bewaring heeft gezeten op grond van één en hetzelfde terugkeerbesluit. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148, Aroja). Dat eiser tussendoor in bewaring heeft gezeten op grond van artikel 59b van de Vw (asiel) doet hier volgens hem niet aan af. De bewaring op grond van artikel 59b van de Vw is namelijk ook gericht op de verwijdering van eiser voor het geval het beroep in de asielprocedure ongegrond wordt verklaard. Het gaat daarbij om een schorsing van het terugkeerbesluit, dus ook de asielbewaring blijft op hetzelfde terugkeerbesluit gebaseerd. Eiser verzoekt om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het arrest Aroja niet volgt dat de periode van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw meetelt bij het bepalen van de maximale bewaringsduur. Het gaat namelijk – kort gezegd – niet om bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn maar op grond van de Opvangrichtlijn. Hiervoor verwijst verweerder naar een vijftal uitspraken van diverse zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag.
7. In het arrest Aroja beantwoordt het Hof prejudiciële vragen van de Finse rechter. De Finse rechter vraagt zich af welke perioden van bewaring bij elkaar op moeten worden geteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De Finse rechter beschrijft dat in de zaak van Aroja sprake was van drie perioden van bewaring. De Finse rechter maakt duidelijk dat de bewaring in deze perioden (op grond van het Finse recht (uitsluitend)) was gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn, en tot doel hadden om één en hetzelfde terugkeerbesluit uit te voeren, óók in de perioden waarin een asielverzoek van Aroja werd behandeld. Het Hof is bij de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen van deze aanwijzingen uitgegaan en heeft deze vragen in dat licht beoordeeld en beantwoord.
8. Het Hof verklaart in het arrest Aroja vervolgens onder meer voor recht dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het maakt daarbij volgens het Hof niet uit of het gaat om onderbroken perioden of om perioden waarbij de bewaring werd gehandhaafd maar het verwijderingsbesluit was geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming.
9. Anders dan eiser is de rechtbank echter van oordeel dat uit het arrest Aroja niet volgt dat de perioden van maatregelen van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw meetellen bij de maximale bewaringsduur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De perioden waarin eiser op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring zat, waren namelijk niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn (en dus ook niet ter uitvoering van een terugkeerbesluit) maar op de Opvangrichtlijn. Artikel 59b van de Vw is namelijk een implementatie van artikel 8 van Pro de Opvangrichtlijn. Dit maakt de Nederlandse situatie anders dan die in Finland, waarop het Aroja arrest is gebaseerd. De rechtbank vindt dan ook niet dat hierover onduidelijkheid bestaat die aanleiding zou moeten geven om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
10. De conclusie is dat verweerder terecht de periode waarin eiser op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring heeft gezeten, niet heeft meegeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur zoals bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid van de Terugkeerrichtlijn. De maximale bewaringsduur van zes maanden is in eisers geval daarom niet overschreden. In zoverre is dit ook niet tussen partijen in geschil. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
11. Eiser voert aan dat er vanaf 26 maart 2026 geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is. Ook heeft verweerder volgens eiser onvoldoende voortvarend gewerkt aan zijn uitzetting.
12. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunten. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2194 en 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553). Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn asielaanvraag heeft gewerkt, is hiervan ook geen sprake. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de termijn van artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als maximale termijn waarbinnen verweerder voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1157). Eiser heeft op 10 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 26 februari 2026 een beschikking genomen. De beroepsgronden slagen niet.
Lichter middel
13. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel omdat hij inmiddels al langere tijd in bewaring zit. Bovendien woont er familie van eiser in Nederland bij wie hij zou kunnen intrekken. Tot slot is de inbewaringstelling voor eiser erg zwaar.
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een onttrekkingsrisico aan te nemen. De omstandigheid dat eiser al langere tijd zich in bewaring bevindt, weegt niet op tegen dit onttrekkingsrisico. Verder heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat hij bij zijn familie zou kunnen verblijven en ook niet nader toegelicht hoe zijn relatie met zijn familieleden eruitziet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Belangenafweging
15. Eiser voert vervolgens aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat de voortduring van de maatregel van bewaring niet berust op een deugdelijke motivering en verweerder geen redelijke belangenafweging heeft gemaakt.
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de voortgangsrapportage een belangenafweging opgenomen die voldoende gemotiveerd in het nadeel van eiser is uitgevallen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de voortduring van de maatregel van bewaring niet berust op een deugdelijke motivering of dat verweerder geen redelijke belangenafweging heeft gemaakt. Hier neemt de rechtbank bij in aanmerking dat eiser geen handelingen heeft verricht met het oog op een vrijwillige terugkeer of met betrekking tot het vaststellen van zijn identiteit of nationaliteit. Deze beroepsgrond treft geen doel.
Ambtshalve toets
17. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tussen 26 maart 2026 en 24 april 2026 op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is gegrond nu de maatregel van bewaring van 24 april 2026 tot en met 28 april 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd.
19. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-.
20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.