ECLI:NL:RVS:2021:1157
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.J. Borman
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over voortvarendheid in bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een vreemdeling op 20 januari 2021 in bewaring met het oog op het vaststellen van identiteit en beoordeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld en beval opheffing van de bewaring met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de rechtbank ten onrechte ambtshalve de voortvarendheid van het handelen van de staatssecretaris had getoetst, maar ging hier vanwege lopende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voorbij.
De Afdeling stelde vast dat artikel 59b, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een maximale termijn van zes weken stelt waarbinnen de staatssecretaris voldoende voortvarend moet handelen. De rechtbank had echter onterecht geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was omdat de vreemdeling nog niet was gehoord binnen negentien dagen na inbewaringstelling, terwijl de staatssecretaris pas vanaf dat moment verplicht was voldoende voortvarend te zijn.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de feitelijke omstandigheden, waaronder de overdracht van de vreemdeling op grond van de Dublinverordening en capaciteitsproblemen bij het inplannen van het gehoor. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard; het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.