BRS.25.001154
Datum uitspraak: 5 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 augustus 2025 in zaak nr. NL25.35818 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 2 augustus 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 18 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.B.J. Strooij, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Feiten
1. De minister had betrokkene op 2 augustus 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Aan de maatregel van bewaring had de minister de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d en de lichte gronden 4a, 4c en 4d uit artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 ten grondslag gelegd. Betrokkene heeft in beroep de zware gronden 3b en 3c betwist.
Het hoger beroep van de minister en het oordeel van de Afdeling
De eerste grief
2. De minister klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat een feitelijke vaststelling van een zware grond uit artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 niet kan volstaan om een maatregel van bewaring te rechtvaardigen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan ook met een feitelijke vaststelling worden voldaan aan het vereiste van individueel motiveren. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5663, onder 2. 2.1. De grief slaagt.
De tweede grief
3. De minister klaagt ook terecht over het oordeel van de rechtbank dat de motivering in de maatregel van bewaring onvoldoende is toegespitst op de concrete situatie van betrokkene en dat de minister onvoldoende heeft toegelicht waarom uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden een risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht zou volgen.
3.1. Om artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 als wettelijke grondslag te mogen gebruiken, moeten zich twee gronden voordoen uit artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000. Dat volgt uit artikel 5.1c, eerste en tweede lid, van het Vb 2000. De minister heeft in het geval van betrokkene vermeld dat onder meer de zware gronden 3a en 3c zich voordoen.
3.1.1. Wat betreft de zware grond 3a, heeft de minister terecht vastgesteld dat deze grond op betrokkene van toepassing is door feitelijk toe te lichten dat betrokkene heeft verklaard dat hij niet in het bezit is van identificerende documenten en dat hij zonder reisdocumenten naar Nederland is gereisd.
3.1.2. Wat betreft de zware grond 3c, heeft de minister terecht vastgesteld dat deze grond op betrokkene van toepassing is door feitelijk toe te lichten dat hij op 15 april 2025 een terugkeerbesluit heeft genomen en dat betrokkene niet heeft voldaan aan zijn daaruit volgende vertrekplicht.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, maakt het feit dat betrokkene een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend niet dat de minister het niet voldoen aan de vertrekplicht niet mede aan de bewaring ten grondslag mag leggen. De minister voert terecht aan dat hij bij de motivering van de gronden betekenis mag toekennen aan gedragingen of handelingen van betrokkene in de periode voorafgaand aan de inbewaringstelling.
3.2. Anders dan uit de uitspraak van de rechtbank volgt, heeft de minister bij deze gronden dus mogen volstaan met een feitelijke toelichting en heeft de minister zijn motivering voldoende op betrokkene toegespitst. De minister heeft hiermee deugdelijk gemotiveerd dat uit deze gronden in beginsel een risico op onderduiken volgt. De andere gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd behoeven daarom geen bespreking.
3.3. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
4. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen de beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Ook toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Het beroep
5. Betrokkene voert aan dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast. Volgens betrokkene heeft de minister ten onrechte een zwaar gewicht toegekend aan het feit dat hij niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Zijn vorige gemachtigde had hem namelijk onjuist geïnformeerd over de vertrektermijn, waardoor betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat hij nog voldoende tijd had om te vertrekken.
5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in de maatregel van bewaring terecht gewezen op het onttrekkingsrisico dat in beginsel volgt uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Ook heeft de minister toegelicht dat het gedrag van betrokkene geen aanleiding geeft om een lichter middel toe te passen. De minister heeft hierbij terecht meegewogen dat betrokkene eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Bovendien heeft betrokkene geen vaste woon- of verblijfplaats of middelen van bestaan, waardoor hij niet traceerbaar is of zijn vertrek kan bekostigen. Dat betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat zijn vertrektermijn nog niet was verlopen, betekent niet dat er geen risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. De minister hoefde dus niet te volstaan met een lichter middel.
Ambtshalve toets
6. De Afdeling merkt nog het volgende op. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister de maatregel van bewaring twee dagen te laat heeft omgezet. Betrokkene heeft namelijk op 8 augustus 2025 zijn asielaanvraag ingetrokken, waardoor de minister de maatregel van bewaring uiterlijk op 10 augustus 2025 had moeten omzetten. De Afdeling verwijst hierbij naar haar uitspraak van 22 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6279, onder 3.2. De minister heeft de maatregel echter pas op 12 augustus 2025 omgezet. De minister heeft tijdens de zitting bij de rechtbank verklaard dat hij de maatregel inderdaad twee dagen te laat heeft omgezet en heeft betrokkene daarom voor twee dagen schadevergoeding aangeboden. De Afdeling stelt echter ambtshalve vast dat de maatregel onrechtmatig is vanaf de dag dat de wettelijke grondslag niet meer van toepassing is. Dit is 8 augustus 2025. De Afdeling verwijst hierbij naar haar uitspraak van 22 december 2025, onder 3.4. Betrokkene heeft dan ook recht op schadevergoeding van 8 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025. Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Betrokkene heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan betrokkene toe. De minister moet de proceskosten voor het beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 augustus 2025 in zaak nr. NL25.35818;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan betrokkene een vergoeding toe van € 500,00 over de periode van 8 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026
644-1073