ECLI:NL:RBDHA:2026:15888

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.21851
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije

De rechtbank Den Haag heeft op 1 mei 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Algerije bestaat en dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen vanwege ontoereikende medische faciliteiten en psychische klachten.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring tot 24 december 2025 rechtmatig was en richtte zich op de periode daarna. Hoewel de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de laissez-passer aanvraag, is dit niet ongebruikelijk en betekent het niet dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft onvoldoende meegewerkt aan het verkrijgen van identiteitsdocumenten, wat het proces vertraagt.

Verder oordeelde de rechtbank dat er geen andere minder dwingende, maar doeltreffende maatregelen beschikbaar zijn. Medische faciliteiten zijn voldoende en psychische klachten zijn onvoldoende onderbouwd om een lichter middel te rechtvaardigen. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid leverde geen onrechtmatigheden op. Ook het beginsel van non-refoulement en het belang van familie- en gezinsleven staan verwijdering niet in de weg.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21851

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 16 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 24 april 2026.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 december 2025 (in de zaken NL25.60994 & NL25.61698) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 24 december 2025) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 december 2024.
Zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn
3. Eiser voert aan dat er in zijn geval geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. In dit verband verwijst eiser naar de zes rappels die door verweerder zijn gedaan bij het Algerijnse consulaat. Uit het uitblijven van een reactie op deze rappels door het consulaat leidt eiser af dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Verder is voor eiser onduidelijk of eiser behoort tot de groep die gepresenteerd moet worden en, zo ja, wanneer deze presentatie zal plaatsvinden.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat er in het algemeen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722). Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het concrete geval van eiser overweegt de rechtbank dat de op 17 december 2025 ingediende laissez-passer aanvraag nog in behandeling is. Dat er tot op heden, na bijna vier maanden, nog geen reactie van de Algerijnse autoriteiten is gekomen betekent, gelet op het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid, niet dat het zicht op uitzetting in eisers geval ontbreekt. Verder is niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven. De ervaring leert dat het niet ongebruikelijk is dat de Algerijnse autoriteiten enige tijd (maanden) nodig hebben voor een laissez-passer traject. Dit geldt des te meer in soortgelijke gevallen als dat van eiser, als er geen document is overgelegd waarmee de identiteit en nationaliteit van eiser kunnen worden achterhaald. Ook is niet gebleken dat eiser zich heeft gehouden aan zijn meewerkverplichting door zich voldoende coöperatief op te stellen. In het vertrekgesprek van 21 april 2026 verklaarde eiser nog niet te hebben gedacht aan hoe hij aan identiteitsdocumenten kan komen, ondanks dat hij sinds het vertrekgesprek van 17 december 2025 al in meerdere vertrekgesprekken hieraan is herinnerd. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd waarom het laissez-passer traject niet zou slagen in het geval hij wel zou meewerken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat de medische faciliteiten in het detentiecentrum ontoereikend zijn. Bovendien heeft eiser ook psychische klachten vanwege zijn verblijf in detentie en het gebrek aan perspectief op uitzetting. Volgens eiser weegt het uitblijven van een reactie van de Algerijnse autoriteiten steeds zwaarder op zijn psychische gesteldheid.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan op enig moment gedurende de te toetsen periode, beoordeelt de rechtbank of geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
7. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast op enig moment in de te toetsen periode. De reden hiervoor is dat eisers omstandigheden de rechtbank geen aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel moet worden toegepast. Er zijn voor eiser voldoende medische faciliteiten ter beschikking in het detentiecentrum waarin hij verblijft. Bovendien blijkt uit het vertrekgesprek van 30 januari 2026 dat eiser toegang heeft tot medische behandeling in een ziekenhuis in het geval dit noodzakelijk wordt bevonden. Eiser verklaarde namelijk in datzelfde vertrekgesprek dat zijn keelklachten zijn onderzocht in het ziekenhuis. Verder verklaarde eiser dat er niets was aangetroffen wat de klachten zou kunnen veroorzaken en verklaarde hij ook dat zijn klachten niet urgent waren. Deze omstandigheden vormen dan ook geen reden om een lichter middel toe te passen bij eiser. Met betrekking tot de psychische belasting die volgt uit verlies van perspectief op uitzetting, overweegt de rechtbank dat deze stelling onvoldoende is gestaafd om daardoor een lichter middel op te leggen. Zo is ook in het meest recente vertrekgesprek van 21 april 2026 niet gemotiveerd door eiser waardoor zijn detentie niet langer zou kunnen voortduren. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.