Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29317
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 15 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en verlengingsbesluit vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 13 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 2 juni 2026.

Eiser voerde aan dat het verblijf in de politiecel te lang duurde en onrechtmatig was, dat het verlengingsbesluit ten onrechte in de maatregel was opgenomen en dat de minister een lichter middel had moeten toepassen. De rechtbank oordeelde dat het verblijf van ruim 14 uur in de politiecel acceptabel was volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep tegen het verlengingsbesluit faalde omdat de minister op basis van de verklaringen van eiser en het dossier mocht aannemen dat een verlenging gerechtvaardigd was, hoewel de rechtbank stelde dat formeel nog geen verlengingsbesluit nodig was.

Ten aanzien van het betoog over een lichter middel stelde de rechtbank vast dat de minister terecht aannam dat geen minder dwingende maatregel effectief zou zijn vanwege het onttrekkingsrisico. De rechtbank vond geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verlengingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29317

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Verblijf in politiecel
1. Eiser betoogt dat het voortraject gebreken bevat. De overname heeft namelijk te lang geduurd. Eiser heeft ook ten onrechte in een politiecel verbleven.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 12 mei 2026 om 14:04 uur is aangehouden vanwege het opzettelijk gebruik maken van een vals reisdocument/identiteitsbewijs (volgens eiser: een Poolse verblijfsvergunning). Eiser is op 13 mei 2026 om 16:15 uur overgenomen en opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke heenzending. Eiser bevond zich bij overname op een plaats bestemd voor verhoor in Borne en is daar lokaal ingesloten. De maatregel van bewaring is opgelegd op 13 mei 2026 om 20:28 uur. Eiser is om 14 mei 2026 om 11.00 uur opgehaald uit Borne. [1]
1.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de minister kan een vreemdeling verblijven in een politiecel. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 augustus 2021 [2] volgt dat de minister na de inbewaringstelling enige tijd wordt gegund om een plaats in een huis van bewaring en het vervoer daarnaartoe te regelen en is daarvoor een termijn van 24 uur in ieder geval acceptabel. Deze termijn begint op het moment van de inbewaringstelling. [3] In dit geval was dat op 13 mei 2026 om 20:28 uur. Op 14 mei 2026 om 11:00 uur is hij opgehaald uit Borne. Eiser heeft dus 14 uur en 32 minuten in een politiecel verbleven. Gelet op de rechtspraak van de Afdeling is de duur van het verblijf op de politiecel aanvaardbaar en is eiser ook niet te lang in de cel geweest. Eiser heeft verder niet aangevoerd hoe hij in zijn belangen zou zijn geschaad.
Het verlengingsbesluit
2. Eiser betoogt dat de minister het verlengingsbesluit ten onrechte in de maatregel van bewaring heeft opgelegd. De minister dient dit verlengingsbesluit apart van de maatregel op te leggen aan eiser. [4] De minister kan niet volstaan met een verwijzing naar de maatregel in de voortgangsrapportage (M120).
2.1.
In artikel 59, vijfde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 is vervolgens bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
2.2.
Uit het arrest Aroja [5] volgt onder meer en voor zover hier van belang dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Daarbij moeten alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, bij elkaar worden opgeteld. Daarnaast kan uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (gecumuleerde) oorspronkelijke maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2026 geoordeeld dat uit het arrest Aroja niet volgt dat de perioden van maatregelen van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetellen bij de maximale bewaringsduur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn, omdat de perioden waarin eiser op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring zat, niet waren gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn. [6]
2.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser uitsluitend beroep heeft ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Omdat het besluit tot verlenging in deze maatregel is opgenomen, beschouwt de rechtbank het beroep ook als gericht tegen het verlengingsbesluit.
2.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring staat dat de minister is uitgegaan van eisers verklaringen over de duur van zijn vorige maatregelen van bewaring tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Door een storing in het systeem van ‘DT&V ISTW/Sharppoint’ kon de cumulatieve terugkeerdetentietermijn door DT&V niet worden teruggekoppeld. Omdat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij in 2022 zes maanden in bewaring heeft gezeten, heeft de minister een verlengingsbesluit genomen. Deze staat in de maatregel en is deels gemotiveerd in de M120. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat eiser eerder op 18 februari 2022 tot 6 april 2022 in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Hierna is eiser van 6 april 2022 tot 21 juni 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Na afwijzing van zijn asielaanvraag is eiser opnieuw in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 van 21 juni 2022 tot 10 augustus 2022. Eiser heeft in totaal 3 maanden en 9 dagen in bewaring gezeten in 2022 op grond van hetzelfde terugkeerbesluit. Gelet op dat wat de rechtbank hiervoor onder 2.2 heeft overwogen is de minister nog niet gehouden om een verlengingsbesluit te nemen. Nu het verlengingsbesluit ten onrechte is genomen, gaat de rechtbank niet nader in op het betoog van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
3. Eiser betoogt dat de minister had kunnen volstaan met een lichter middel. De minister heeft te weinig onderzoek gedaan naar het Poolse reisdocument/identiteitsbewijs van eiser. Dat blijkt wel uit de vele vragen die zijn gesteld tijdens het vertrekgesprek van 19 mei 2026.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de onbetwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het onttrekkingsrisico bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling is volgens de minister te groot. Bovendien heeft de regievoerder tijdens het vertrekgesprek aan eiser verteld dat de politie het Poolse reisdocument/identiteitsbewijs als vals document heeft beoordeeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [7]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie formulier bijzonderheden zaak van 14 mei 2026.
3.Zie ook: ABRvS 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:775.
4.Hierbij wordt verwezen naar: Hof van Justitie 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (arrest Aroja) en Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 18 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12910.
5.Hof van Justitie 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (arrest Aroja)
6.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 4 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10525 r.o. 10.2.
7.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (