Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16083

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL23.24884
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:15 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na intrekking terugkeerbesluiten tijdelijke bescherming

Eiser, een derdelander uit Marokko met tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, maakte bezwaar tegen de beëindiging van deze bescherming en meerdere terugkeerbesluiten van de minister.

De minister had het eerste terugkeerbesluit van 24 augustus 2023 ingetrokken na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die bepaalde dat het recht op tijdelijke bescherming van rechtswege pas op 4 maart 2024 zou eindigen. Vervolgens werd een nieuw terugkeerbesluit genomen op 7 februari 2024, dat eveneens werd ingetrokken nadat eiser een nieuwe gecombineerde verblijfs- en arbeidsvergunning had aangevraagd.

De rechtbank oordeelt dat door de intrekking van de terugkeerbesluiten en het feit dat eiser in Nederland mag blijven gedurende de aanvraagprocedure, het beroep tegen deze besluiten niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Eiser kan met het beroep geen ander resultaat bereiken dan wat al is bereikt. De rechtbank wijst het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling en kent geen proceskostenvergoeding toe.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming en de terugkeerbesluiten wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer: NL23.24884

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het met deze besluiten niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiser daarbij geen procesbelang meer heeft. De rechtbank legt hierna hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser bij besluit van 24 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft tegen dit besluit op 29 augustus 2023 beroep ingesteld. Op 30 januari 2024 heeft de minister het besluit van 24 augustus 2023 ingetrokken. Op 7 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen.
2.1.
Bij bericht van 26 maart 2024 heeft de minister aangegeven het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 op te heffen omdat eiser op 1 maart 2024 een aanvraag heeft gedaan voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid en dat eiser gedurende deze aanvraagprocedure in Nederland mag blijven. Bij bericht van 11 april 2024 heeft de minister naar aanleiding van een vraag van de rechtbank aangegeven dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken.
2.2.
De rechtbank heeft doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Marokko. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). [3] Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 28 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 24 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 [4] had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep echter gehandhaafd.
3.2.
De minister heeft op 7 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten.
Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming/terugkeerbesluit per 4 september 2023
4. De minister heeft het besluit van 24 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Verder is aan eiser per bericht van 30 januari 2024 door de minister toegezegd dat eisers proceskosten zullen worden vergoed naar aanleiding van het intrekken van het besluit van 24 augustus 2023. Eiser heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2023 niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024
5. Het tegen het besluit van 24 augustus 2023 gehandhaafde beroep is ook gericht tegen het alsnog op 7 februari 2024 genomen terugkeerbesluit. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerder overwogen dat dit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 genomen terugkeerbesluit op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege bij de beoordeling van dat beroep moet worden betrokken. De rechtbank ziet nu geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit besluit van 7 februari 2024 heeft namelijk een gelijke strekking en is gebaseerd op dezelfde bevoegdheidsgrondslag en feitelijke grondslag als het eerdere besluit van 24 augustus 2023 en vertoont daarmee dus een onlosmakelijke samenhang. Die samenhang volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin zowel op de verblijfsbeëindiging per 4 september 2023 als die per 4 maart 2024 wordt ingegaan. Verder heeft het besluit van 7 februari 2024 ook rechtsgevolg, omdat het de reikwijdte van het besluit van 24 augustus 2023, namelijk de datum waarop het rechtmatig verblijf van eiser eindigt en vanaf wanneer een vertrekplicht ontstaat, wijzigt. Het tijdsverloop tussen het moment van intrekking (30 januari 2024) van het eerdere terugkeerbesluit en het vervangende terugkeerbesluit van 7 februari 2024 betekent niet dat artikel 6:19 van Pro de Awb niet kan worden toegepast. Het aanmerken van het besluit van 7 februari 2024 als een 6:19-besluit dient ook de proceseconomie: de rechtzoekende kan zijn bezwaren tegen het nieuwe besluit in de al aanhangig gemaakte procedure naar voren brengen en hoeft dus geen afzonderlijk rechtsmiddel in te dienen.
5.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [5] (Afdeling) volgt dat bij de vraag of er sprake is van procesbelang het erom gaat of het doel dat eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Procesbelang is er niet als elk belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
5.2.
De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. De intrekking van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft bovendien plaatsgevonden omdat eiser zelf een nieuwe verblijfsaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft daarom geen recht op een proceskostenvergoeding op grond van artikel 7:15 van Pro de Awb, omdat de minister het besluit niet heeft ingetrokken wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid.
5.3.
Eiser kan gezien voorgaande niet meer of anders bereiken, dan met het intrekken van de terugkeerbesluiten al is bereikt. Hij mag in Nederland blijven en heeft, voor zover hij daar recht op heeft, al een proceskostenvergoeding gekregen. Het beroep tegen de terugkeerbesluiten van 24 augustus 2023 en 7 februari 2024 is daarom niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Artikel 8:54 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
3.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1788.