Eisers exploiteerden op hun perceel een bedrijf dat paardrijlessen gaf, ponykampen organiseerde en kinderpartijtjes hield, zonder daarvoor een omgevingsvergunning te hebben. Het college legde daarom een last onder dwangsom op om deze activiteiten te beëindigen. Eisers voerden aan dat de activiteiten impliciet waren vergund door een eerder verleende omgevingsvergunning voor een blokhut, en dat zij voldeden aan de voorwaarden voor een bedrijf aan huis.
De rechtbank oordeelde dat de activiteiten niet impliciet waren vergund. De vergunning voor de blokhut was uitsluitend bedoeld voor het plaatsen van het bouwwerk als zadelkamer en ontvangstruimte, en niet voor het geven van paardrijlessen of het organiseren van kinderactiviteiten. Bovendien vonden de activiteiten plaats buiten de blokhut en op gronden met een bestemming die dit niet toestaat.
Het college had daarom terecht gehandhaafd en de last onder dwangsom opgelegd. Eisers kregen geen gelijk in hun beroep, en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Eisers kregen ook geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.